Razend in een kamerjas; Hermann Hakel, een charmante monomaan

De Oostenrijkse schrijver Hermann Hakel liet in zijn gedichten, dagboeken en essays zijn niet overweldigend grote talent aan het woord, maar reserveerde zijn genie voor zijn door verbluffende monologen gekenmerkte persoonlijke optreden. Hakel was in het Wenen van na 1945 voor jonge schrijvers een belangrijke autoriteit.

Ein besonderer Mensch. Erinnerungen an Hermann Hakel, Lynkeus Verlag 1988, Wien. Prijs ƒ 71,80.

De bijzonderheid van de Oostenrijkse schrijver Hermann Hakel komt niet het meest naar voren uit zijn gedichten, essays en dagboeken. Hij reserveerde zijn genie voor zijn door verbluffende monologen gekenmerkte persoonlijke optreden. Hakel was in het Wenen van na 1945 voor jonge schrijvers een belangrijke autoriteit.

door André Spoor

De joodse Oostenrijkse schrijver Hermann Hakel (1911-1987) was een onmogelijke vent. Weliswaar was hij ook, zoals de titel luidde van een in december 1988 verschenen herinneringsboek: "ein besonderer Mensch', maar veel figuren in het Weense literaire leven van na 1945 ervoeren Hakel vooral als hinderlijk, drammerig en opdringerig, monomaan en altijd vol niets ontziende kritiek op alles en iedereen. Alleen een enkele zeer tolerante vriend kon ondanks alles waardering blijven voelen voor Hakels fascinerende erudiete conversatie, voor zijn scherpe neus waar het literaire kwaliteit betrof en voor zijn genereuze steun aan jong talent.

Oscar Wilde parafraserend kan men zeggen dat Hakel in zijn literaire werk, zijn gedichten, dagboekaantekeningen en korte essayfragmenten, zijn niet overweldigend grote talent aan het woord heeft gelaten, maar dat hij zijn genie had gereserveerd voor zijn door verbluffende monologen gekenmerkte persoonlijke optreden. Dat hij met dit laatste zo'n indruk kon maken was des te opmerkelijker omdat Hakel een kleine, vrij onooglijke man was, blind aan zijn linkeroog, dat dof loenste. Hij liep moeilijk en strompelde voort op een klompschoen die een aanzienlijk verschil in lengte van zijn benen moest compenseren. Hij zag er vaak morsig uit en als hij geen plannen had om uit te gaan, slofte hij de hele dag rond in zijn appartement in een groezelige half openstaande pyjama, waarover hij een nauwelijks dichtgeknoopte kamerjas droeg.

Maar wie hem bezocht in zijn met boeken volgepakte, met afzichtelijke meubels ingerichte appartement vergat al gauw de naargeestige omgeving, de geur van ongeluchte bedden en het uitzicht op de ziekelijk bleke borst en buik van de gastheer. Eerder luisterde men ademloos naar zijn hoogst amusante en originele tirades tegen het Oostenrijkse literaire klimaat, tegen veel grote namen in de literatuur: Karl Kraus, Adorno, Canetti, Thomas Bernhard, Hilde Spiel en bovenal tegen het verdoezelen na 1945 van "Auschwitz', van de Shoah.

In dit verband bewaarde Hakel zijn scherpste kritiek voor joodse schrijvers en intellectuelen, die hun jood-zijn verloochenden en zich in zijn ogen kwispelend assimileerden om succes te hebben in een tijdperk van neergang en onbenulligheid, van leugenachtigheid en reclame. Als een profeet uit het Oude Testament, dat in Martin Luthers vertaling een van Hakels lijfboeken was, kon hij in zijn kamerjas razen tegen oneerlijke, abstracte, luie en navelstarende literatuur.

Met zijn visies, die hij met een verbluffende eruditie wist te adstrueren, bracht hij zijn bezoekers overigens ook vaak tot wanhoop. Wie geen tijd meer had kon praktisch niet wegkomen. Hakel weigerde te merken dat zijn bezoeker op wilde stappen. Tot het trapgat strompelde hij achter zijn bezoekers aan om hen nog even te overtuigen van de nietswaardigheid van het grootste deel van de Duitse en Oostenrijkse literaire elite of van de morele en intellectuele verwerpelijkheid van iedereen die na 1945 "Auschwitz' niet tot het centrale thema van zijn denken had gemaakt.

Desondanks: bezoek kreeg Hermann Hakel gedurende zijn leven in overvloed. De reden was dat hij in het Wenen van na 1945 voor jonge schrijvers een belangrijke autoriteit was, die over publikatiemogelijkheden beschikte. Voor de komst van de nazi's in 1938 had Hakel al een "Jahrbuch 1935' van de bond van jonge Oostenrijkse schrijvers geredigeerd en had hij voor een uitgeverij een nieuwe reeks "Neue Dichtung' opgezet. Na de oorlog, die hij in Italië, grotendeels in concentratiekampen, overleefde en na twee jaar Israel, werd Hakel bestuurslid van de Oostenrijkse PEN-club en begon hij een literair tijdschrift "Lynkeus', dat van 1948 tot 1951 en van 1979-1987 bleef verschijnen.

Zelf publiceerde hij gedichtenbundels (Und Bild wird Wort, 1947, 1938-1945/ Ein Totentanz, 1950, Hier und Dort, 1955), Jiddische Geschichten aus aller Welt, 1967, joodse anecdotes en Wieneriana. In de jaren vijftig en zestig was hij docent aan volkshogescholen in Wenen en München en redacteur van verschillende literaire tijdschriften en boekenreeksen.

De jonge schrijvers wier werk hij bevorderde zag hij als zijn leerlingen. Van hen werd later Ingeborg Bachmann het beroemdst. Hakel ontdekte haar en publiceerde als eerste gedichten van haar hand in Lynkeus. In Dürre Äste Welkes Gras, Begegnungen mit Literaten, Bemerkungen zur Literatur, een in 1991 verschenen bloemlezing uit Hakels werk, kan men lezen wat Hakel van haar literaire carrière vond. Haar gedichten bleef hij waarderen, maar haar romans, verhalen, hoorspelen zag hij alleen als vruchten van haar brandende ambitie, die haar volgens hem niet alleen cocktailparty-allures hadden doen ontwikkelen, maar haar er ook toe hadden gebracht allerlei pretentieuze leugens aan journalisten op te dissen.

Hakel laat overigens in het midden of de vurige zoenen die Ingeborg Bachmann bij haar eerste bezoek met hem wisselt (bij die gelegenheid houdt ze nog wel haar knieën stijf tegen elkaar aan gedrukt, maar dat veranderde daarna gauw) werden ingegeven door haar "brandende literaire ambities' of dat zij voor Hakels volgens velen toch niet te ontkennen charmes was gecapituleerd.

Hakel kon ook bewonderen. Goethe, Stendhal, Kafka waren zijn helden. Primo Levi's eerste boeken introduceerde hij in Oostenrijk. Ook de dagboeknotities (Hakel hield ook zelf het grootste deel van zijn leven trouw een dagboek bij) en enige verhalen van Ernst Jünger kon hij een tijd lang waarderen. Hij hield ook persoonlijk met Jünger contact tot aan de publikatie van diens dagboeken Siebzig verweht (1980/81), die Hakel ineens doorzag als een leugenachtige apologie van een elitaire Duits-nationale geest, die er nog altijd achter stond dat hij zijn leven had ingezet om Hitler zijn oorlogen te laten winnen.

Hermann Hakels passie gold de literatuur. Wie die passie deelt of haar enigszins kan navoelen zal plezier beleven aan de bloemlezing uit Hakels geschriften en het herinneringsboek. De onmogelijke vent was absoluut "ein besonderer Mensch'.

Hermann Hakel: Dürre Äste Welkes Gras. Begegnungen mit Literaten. Bemerkungen zur Literatur. Lynkeus Verlag 1991, 1010 Wien, Babenbergerstrasse 1/16. Prijs ƒ 50,40.