Procrustesbed

Het is algemeen bekend dat er allerlei verhoudingen zijn tussen de letter en de lezer.

Typografie, grafische vormgeving, lay-out, het is bij elkaar een kunst en een wetenschap met een lange geschiedenis, een complex, zo oud en groot dat ik me niet vermeet, in deze paar regels er iets aan te kunnen toevoegen. Omdat aan de andere kant dit complex publiek eigendom is, d.w.z. iedereen die leest er belang bij heeft, denkt ook iedereen er verstand van te hebben. Daar valt niets tegenin te brengen. Hoe knap de schoenmaker mag zijn, alleen de drager zal beoordelen of de schoenen passen. Dat wist Plato al. Maar hoe zit het met de verhouding tussen de letter en de schrijver?

Onlangs heeft de Volkskrant zich typografisch vernieuwd: van zeven naar acht kolom, met een andere kopletter en een andere broodletter. Daarover is natuurlijk veel discussie ontstaan. Geen wonder. Vergelijk het met een huisvriend die zich plotseling heeft laten faceliften. Meestal is het een langzame facedrop die gelijke tred houdt met wat er op uw eigen gezicht gebeurt. De typografische vernieuwing van een dagblad als huisvriend is dus een revolutie die in de lezerskring zowel het conservatiefste als de radicaalste hang naar verandering activeert. Dit bepaalt het debat. Maar hoe staat het intussen met de journalisten?

Niet alleen koesteren de lezers onbewust een ideaal beeld van wat ze zullen gaan lezen. Daaraan vooraf gaat het ideale beeld dat de schrijver zich voor ogen heeft van hetgeen hij straks zal hebben geschreven. Dat is zeer persoonlijk. Voor iedere schrijver heeft ieder genre zijn absolute vorm. Een sonnet is een sonnet, maar voor Petrarca zal naar ik aanneem binnen dit scherp omschreven genre het absolute sonnet er anders hebben uitgezien dat het absolute sonnet van Jean-Pierre Rawie of Jan Kal. Het hoort tot de mysteries van het schrijven, van een boek zowel als van een stukje in de krant. Zo voelt de ene columnist zich pas op zijn gemak als hij de zekerheid heeft dat hij zich in de gestrekte lengte van één kolom gedrukt zal zien terwijl de andere zich herkent als hij zich uitgeplet in de volle breedte onderaan de pagina aantreft. Het kan voor een stukjesschrijver een kleine ramp zijn - ik overdrijf niet - als hij ontdekt dat hij een nieuwe "vorm' heeft gekregen. Toen ik voor het eerst de nieuwe Volkskrant onder ogen kreeg heb ik me dus afgevraagd hoe de stukjesschrijvers zich in het hun toebedeelde vel voelden.

Een vraag waarop ik nog geen antwoord weet. Alle noodzaak tot vernieuwing respecterend: hebben de vormgevers de laatste tijd niet meer te vertellen dan ze misschien soms verdienen? En daarop volgend: zou het soms niet beter zijn als de inhoudmakers zich van tijd tot tijd wat minder door de vormgevers op de kop lieten zitten? Ik druk me voorzichtig uit wat al een aanwijzing geeft over de toegenomen macht van de vormgevers.

Wie schrijft, voor het mooi of in de krant, als letterkundige of journalist, doet dat meestal voor zijn plezier. Dit plezier valt te analyseren. Het gaat er bijvoorbeeld op vooruit als het de schrijver, zijn woorden nalezend duidelijk wordt dat hij grotendeels heeft opgeschreven wat hij bedoelde; dat er nauwkeurigheid en muziek in zit. Nog meer plezier beleeft hij als hij merkt dat het effect heeft. Dat kan van alles zijn: de lezer raakte ontroerd, de minister zag zich genoodzaakt af te treden. Maar de grondslag van alle plezier is altijd weer het plezier zichzelf gedrukt te zien. Dat gaat nooit over. Tenzij!

Tenzij de schrijver zich op de verkeerde manier gedrukt ziet; tenzij de vormgever hem op zijn procrustesbed heeft gelegd om hem, ten behoeve van de vormgeverij van de dag, zijn voeten af te hakken en zijn nek uit te rekken; tenzij de schrijver moet vaststellen dat hij door een mager lettertje op een veel te grote bladspiegel doodsbleek is gemaakt, of juist in een vet type met drukinkt volgesmeerd zodat hij zich als een schreeuwende straatventer ziet. Met andere woorden: alleen die vormgeving is goed die de schrijver voor zichzelf in druk congruent maakt met zijn bedoeling; met degene die hij was toen hij zijn woorden op papier zette.

Hieruit blijkt dat de vormgever niet alleen het literaire of journalistieke produkt helpt 'verkopen' maar dat hij ook invloed op de inhoud heeft: ten nadele als hij als een Procrustes aan de slag gaat en ten goede als hij de schrijver zijn typografisch volmaakt passend bed spreidt. Er is een rangorde. Eerst komt de inhoudmaker, dan de vormgever, en de voldoening voor de vormgever bestaat hierin dat hij het plezier van de inhoudmaker bevordert. Zo ontstaan de beste kranten en de mooiste literatuur.