Over Boutens' leven hing het waas van het geheim

P.C. Boutens was één van de grootste dichters van zijn generatie. Toch wordt hij nauwelijks meer gelezen. Het Letterkundig Museum in Den Haag brengt met een expositie en uitgaven een eerbetoon aan deze uit Zeeland afkomstige dichter.

Ik heb iets bijna schoons aanschouwd." In het Letterkundig Museum, Den Haag, tot en met 13/6. Gelijktijdig verschijnen het gelijknamige Schrijversprentenboek, fl 39,90, tevens catalogus, en de bloemlezing Uit den ban van duur en tijd", uitg. Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam, ƒ 25,00.

De dichter P.C. Boutens (1870-1943) moet een mooi leven hebben gehad, rijk aan feestbuffetten, wijn en fraai ingebonden boeken. Een man van de wereld en van boeiende vriendschappen, die het uiteindelijk tot hofdichter van het koninklijk huis bracht. Een poëet van wiens dichtershoofd met verfijnde trekken schilders en beeldhouwers afbeeldingen maakten.

Eigenlijk was de verheven Boutens niet van deze aarde. Dat leverde hem bewondering en verguizing op. Tijdgenoten verzetten zich tegen zijn houding van estheet, voor wie uiterlijk schoon voldoende is om de ellende van elke dag te vergeten. Eén van zijn scherpste tegenstanders vond hij in Marsman, die met zijn voorkeur voor de ruigheid van het alledaagse Boutens "bloedeloosheid' verweet, en nog erger: "pronkerig aestheticisme'.

Het is een zeldzaam fragiel, ijl dichterschap van Boutens. Daarom alleen al is het jammer dat hij achter beroemdere dichters als Van de Woestijne, Leopold, Herman Gorter, Bloem, Marsman of Slauerhoff is verdwenen. De tentoonstelling Ik heb iets bijna schoons aanschouwd die onlangs in het Letterkundig Museum in Den Haag is geopend, is dan ook een terechte hommage aan Boutens die op 13 maart jl. vijftig jaar geleden overleed. Het is altijd verbazingwekkend in het Letterkundig Museum te ontdekken op welke jeugdige leeftijd schrijvers en dichters al als geheel gearriveerde kunstenaars werden gefotografeerd of geschilderd. Bij Boutens doet de merkwaardige omstandigheid zich voor dat hij rond zijn vijfentwintigste, na zijn eerste schreden in de literatuur, zijn definitieve gezichtsuitdrukking heeft: dromerige blik, snor, knijpbrilletje op de neus. In de loop van de decennia zal daaraan weinig veranderen, behalve dan de toets van de ouderdom die de tijd eraan geeft.

Over zijn eigen leven zei Boutens dat het "onbewogen' is geweest. Hij wilde zich beperken tot wat uitvoerbaar was, niet boven zijn macht reiken als Gorter, evenmin streefde hij de kosmische zelfvergroting na van iemand als Marsman. De indruk van een leven nauwelijks beroerd door grootse gebeurtenissen roept ook de expositie op. Boutens lijkt eerder een diplomaat in de letteren dan de gedreven dichter van een respectabel oeuvre, waarvan Vergeten liedjes (1909), Carmina (1912) en het verhalende, lyrische gedicht Beatrijs (1908) enkele hoogtepunten vormen. Natuurlijk is het beeld van literaire diplomaat vertekend. Aan foto's uit die tijd, meestentijds genomen tijdens diners die Boutens als tafelredenaar geweldig wist op te fleuren, kleeft eenmaal het stramme van een staatsieportret. Bovendien vervulde Boutens tal van openbare functies, zoals bestuurslid van de Vereeniging van Letterkundigen, het Willem Kloosfonds en BUMA ter bescherming van auteursrechten.

Het "bijna schoons' uit de titel kan op tweeërlei wijze uitgelegd worden. Enerzijds is er Boutens' hang naar esthetische verfijning die zich uit in welverzorgde uitgaven van zijn poëzie, waarin symbolistische decoraties een rol spelen. In schilders als Jan Toorop en Willem van Konijnenburg vond hij zijn geestverwanten. Anderzijds is dat "schoons' een combinatie van zijn neo-platoonse levensbeschouwing met zijn homoseksualiteit. Gelijktijdig met de expositie verscheen het Schrijversprentenboek 34 over Boutens, waarin zijn leven en werk aan de hand van enkele gedegen opstellen wordt toegelicht. Het is verhelderend daarin te lezen dat de cyclus gedichten Strofen uit de nalatenschap van Andries de Hoghe uit 1919 Boutens' persoonlijke belijdenis bevat van zijn homoseksualiteit, hoewel hij zich het auteurschap ervan nooit heeft toegeëigend. Hij wendde voor dat een student uit Delft, die zelfmoord pleegde na een afwijzend oordeel van Boutens over zijn poëzie, de werkelijke dichter is.

Het sleutelwoord uit deze bundel is "geheim'. Een begrip dat goed van toepassing is op Boutens' leven; onmiskenbaar hangt daar het waas van een geheim over. Hofdichter of niet, tafelredenaar die in dat genre met Lodewijk van Deyssel streed of niet, Boutens blijft ongrijpbaar - veel meer dan zijn geduchte collega-dichters die je je tennissend (Gorter) of sjorrend aan de riemen van een roeiboot (Marsman) kan voorstellen.

Boutens lijkt een figuur ver in het verleden verzonken, veel dieper dan zijn geboorte- en sterfdatum doen vermoeden. Ook de documenten die in het Letterkundig Museum zijn tentoongesteld, roepen de suggestie op van een dichter die zich ver weg bevindt, zowel in tijd als in geestelijke gesteldheid. Geen foto van Boutens die niet-geposeerd is of niet genomen tijdens een galadiner. Elk document, van handschrift tot geschilderd portret, draagt in zich de angst van iemand zich te laten kennen of te vallen buiten de door hemzelf aan de wereld opgelegde wil tot beheersing.

Daarom is het een uitstekend idee geweest een pagina uit de NRC van 19 februari 1930 in volle glorie aan de muur te hangen. Daarin doet Boutens enkele opvallende uitspraken, zoals deze: "De kunstenaar als zoodanig is maatschappelijk een paria, een avonturier.' Boutens was een classicus, iemand die Homerus, Plato en Sappho vertaalde, maar in deze uitspraak laat hij zich kennen als een romanticus.

Diezelfde hang naar het romantische idioom spreekt uit de titel van de bloemlezing uit zijn werk, die tegelijkertijd met de expositie is verschenen. Ze heet Uit den ban van duur en tijd. Schitterende titel, te zamen met de expositie en het Schrijversprentenboek een ideale kennismaking of hernieuwde kennismaking met de dichter van zoveel moois, in elk geval, om één voorbeeld te noemen, van deze regels: Onze vaders hebben ons niet geweten,/ wij bleven voor hen als verstooknen;/ alleen de blindheid onzer moeders/ heeft ons vermoed.'

Het zijn regels waarover elke lezer zich kan verbazen en die tegelijk intrigeren, want "blindheid onzer moeders' dat leest voor de hedendaagse Nederlander vast niet zo fijn.