Nooit te achterhalen koeie- en varkensgedachten

Tentoonstelling: Dieren Demonen; Kruyder, Permeke, Soutine, Chabot en Wagemaker. T/m 2 mei in de Hannema-De Stuers Fundatie, Kasteel Het Nijenhuis Heino. Open: di t/m zo 11-17u. Catalogus: 30 gld.

Dieren worden door mensen alleen met respect en liefde behandeld als wij ze 'vermenselijken', heeft Rudy Kousbroek eens geschreven. De tentoonstelling Dieren Demonen in de Hannema-De Stuers Fundatie is er juist op uit het dier tot een soort godheid te verheffen en hem mystieke of demonische krachten toe te dichten. De samensteller, kunsthistoricus Kees Vollemans, constateert rond 1930 een oplevende belangstelling voor het thema "vee', waarmee een tegenwicht geboden zou worden aan de abstracte kunst van de historische avant-garde. De oeuvres van drie schilders worden met meerdere werken beter uitgelicht: Herman Kruyder, Henk Chabot en Jaap Wagemaker; van Chaim Soutine en Constant Permeke zijn meerdere in de catalogus afgedrukte werken helaas door particuliere verzamelaars uiteindelijk niet afgestaan.

De opzet van de expositie is, dieren te tonen die "souverein' zijn weergegeven: beeldvullend, vol van hun eigen, nooit te achterhalen varkens- of koeiegedachten. Ontroerend zijn ze maar zelden in Heino, eerder ongrijpbaar en soms dreigend.

Imponerend zijn direct bij binnenkomst de vier prachtige schilderijen van Herman Kruyder (1881 - 1935), alle ontstaan rond 1932. Terwijl de betoverende kleurgloed ze onwerkelijk maakt, zijn met name het Stierkalf en de Hond bijna portretten. Ze lijken niet tot een soort te behoren maar zijn unieke individuen. De hond moet wel Cerberus zelf zijn, losgebroken uit de hel (een stuk touw zit nog om zijn nek), het kalf herinnert met zijn gouden glans aan Chagall en droomt, in zichzelf gekeerd, van het kalfjesparadijs.

De onaantastbaarheid van de afgebeelde beesten die de catalogus belooft, lijkt vooral geënt op Kruyders werk. Bij Permeke is het dier opgesloten in een metafysische eenzaamheid- althans, op één van de slechts twee aanwezige doeken, De kleine zeug, waarin een varken dapper voortploegt door de troosteloze Vlaamse modder. Het Kalf van Soutine kijkt ons van onderaf wantrouwig aan, zich wijdbeens schrap zettend in stil verzet. Wij staan hem naar het leven- immers, alle dieren bij Soutine worden onherroepelijk ter slachtbank gevoerd.

De Rotterdammer Henk Chabot (1894-1949) -met 10 schilderijen het best vertegenwoordigd- beeldt dieren precies zo af als hij mensen schildert: stroef, met schonkige, vreemd geproportioneerde ledematen en gek genoeg met dezelfde devote gezichtsuitdrukking. Dat valt vooral op in zijn versies van de Heilige Familie, omringd door (heilig) vee. Maar ook als de dieren afzonderlijk zijn weergegeven, bijvoorbeeld Twee koeien uit 1940, hebben ze die "bezielde' ogen; hoewel stevig met de poten in het gras, zijn ze niet van vlees en bloed. Chabots vee staat voor Deemoed, Trouw of Saamhorigheid en soms voor Lijden.

De meest reële dieren zijn de varkens van Jaap Wagemaker (1906 -1972). Dat levensechte zit hem in de verf, die schurftig is als aangekoekte stront op een varkenshuid, maar ook in hun oogopslag. Daaruit spreekt een bijna sluw bewustzijn van het feit dat wij ze gadeslaan. Eén van Wagemakers varkens draait zijn kop hautain naar ons toe terwijl het eet, een ander ligt -lekker volgegeten- op zijn zij en lijkt te slapen. Alleen een krul om zijn snuit verraadt dat hij wakker is en ons uitlacht. Zonder zulke 'menselijke' dieren zou de expositie in Heino niet compleet zijn geweest.