Nieuwe stap in strijd tegen vrouwenhandel

DEN HAAG, 16 APRIL. Vrouwen die illegaal in Nederland verblijven en bij de politie aangifte doen van vrouwenhandel - zonder zelf daarvan slachtoffer te zijn - kunnen tijdelijk een verblijfsvergunning krijgen. Voorwaarde is dat zij nodig zijn voor het verdere onderzoek. Dit maakte minister Hirsch Ballin (justitie) gisteren bekend bij de opening van het nieuwe kantoor van de Stichting Tegen Vrouwenhandel in Utrecht.

Op dit moment kunnen alleen illegaal in Nederland verblijvende slachtoffers van vrouwenhandel een tijdelijke verblijfsvergunning krijgen. De aanpassing is bedoeld om uitzetting van belangrijke getuigen tegen vrouwenhandelaren te voorkomen.

Aanleiding voor de wijziging is de aangifte van vrouwenhandel door een Columbiaanse vrouw zonder geldige verblijfsdocumenten begin januari dit jaar in Nijmegen. Na de aangifte werd ze in afwachting van uitzetting door de politie in bewaring genomen. Wegens het belang van haar verklaring voor verdere procedures is de uitzetting opgeschort.

De tijdelijke verblijfsvergunning geldt zolang de zaak loopt. Een procedure tot en met het gerechtshof kan vijf jaar duren. Het ministerie van justitie “kan zich voorstellen” dat na een dergelijk lange tijd de betrokkene een definitieve verblijfsvergunning zou kunnen aanvragen.

Toch onderstreept Justitie dat het in principe om een tijdelijke vergunning gaat “om te voorkomen dat iemand een tijdje de prostitutie ingaat en op die manier aan een verblijfsvergunning denkt te komen”.

De Stichting tegen Vrouwenhandel, die zes jaar bestaat, is verheugd over de uitbreiding van de regelgeving. Zij had het ministerie van justitie om de aanpassing gevraagd. Volgens coördinatrice Lisa Hofman van de stichting is de barrière voor vrouwen om aangifte te doen voor anderen met de regeling “gedeeltelijk geslecht”. De effectiviteit van de bestrijding van vrouwenhandel is met de regeling weer iets vergroot, aldus Hofman.