Nieuw debat zonder einde

Boekenkasten vol zijn geschreven over het ontstaan van de Koude Oorlog, en de historiografie ervan kent hele scholen: eerst de klassieke, die de Russen de schuld gaf; toen de revisionistische, die in de Verenigde Staten de grootste zondaar zocht; en ten slotte de postrevisionistische, die aandacht vroeg voor - al dan niet onvermijdelijke - misverstanden en misinterpretaties over en weer. Nu de Russische archieven opengaan, zullen er ongetwijfeld weer andere inzichten komen.

Het ziet er nu al naar uit dat het einde van de Koude Oorlog een even vruchtbaar terrein zal zijn. De eerste schermutselingen hebben al plaatsgevonden. Op 19 februari maakte ik hier melding van een debat tussen de Israelische hoogleraar Sjlomo Avineri en Assen Ignatow, medewerker aan het Oost-Europa-instituut te Keulen.

Het einde van de Koude Oorlog en de instorting van het communisme zijn vrijwel synoniem, en daarom is de vraag naar de oorzaken van het laatste verschijnsel in hoge mate relevant voor een verklaring van het eerste. Ook daar verschillen de meningen natuurlijk.

Zo zijn er die menen dat het beleid van de Noordatlantische verdragsorganisatie (NAVO) beslissend is geweest voor de capitulatie van de Sovjet-Unie, die aan de val van het communisme is voorafgegaan. President Reagans strategisch defensie-initiatief (SDI) zou de Russen, die technologisch toch al achterlagen, ervan overtuigd hebben dat de wedloop niet meer te winnen was, en Europa's weigering te zwichten voor de chantage met de SS-20's zou ook het hare ertoe bijgedragen hebben.

Iemand die zich tegen deze interpretatie keert, is dr. Y. Vanden Berghe, hoogleraar te Antwerpen en lid van de redactie van de Internationale Spectator. In een artikel in De Standaard van 6 april schrijft hij:

“Zelfgenoegzaam denken we dat het de NAVO is die, door de bewapeningswedloop te winnen, het communisme tot ontbinding heeft gebracht. Dit is een illusie. Het systeem had rustig nog een paar decennia kunnen overleven. De KGB-getrouwen Andropov en Gorbatsjov probeerden wel via hervormingen de groeiende technologische achterstand ten aanzien van het Westen en Japan te verminderen. Glasnost en perestrojka liepen ongewild uit de hand en veroorzaakten de implosie van het systeem. Het is dus aan een hervormingspoging ten onder gegaan.”

Door Gorbatsjov “KGB-getrouw” te noemen, laat Vanden Berghe merken dat hij niet behoort tot de bewierokers van de laatste secretaris-generaal van de communistische partij, van wie er zovelen in het Westen te vinden zijn, zelfs onder mensen die overigens van alle wateren gewassen zijn. Maar juist door zijn connecties met de KGB wist Gorbatsjov beter wat er mis was in de Sovjet-Unie dan menig apparatsjik of zeloot.

Doch dit terzijde. Vanden Berghes opvatting dat het communisme aan Gorbatsjovs hervormingspogingen ten onder is gegaan, is zeker niet onjuist, maar zij sluit andere opvattingen niet uit. Ook niet de opvatting dat het communisme sowieso aan zijn innerlijke tegenstellingen te gronde zou zijn gegaan, zelfs al zou dit “nog een paar decennia” hebben kunnen duren. Zo gezien, is Gorbatsjovs hervormingspoging niet de oorzaak, maar de ontsteking van de instorting geweest.

Ook de mening dat de wapenwedloop het communisme tot ontbinding heeft gebracht, hoeft niet in strijd te zijn met Vanden Berghes theorie. Die theorie immers laat de vraag onbeantwoord waardoor Gorbatsjov en degenen die hem in het zadel hadden geholpen, tot de overtuiging waren gekomen dat hervormingen onvermijdelijk waren.

Zou het niet kunnen zijn dat juist Reagans SDI een soort katalyserende werking op het Russische denken heeft gehad? Niet door zijn militair-strategische betekenis, die zeer betrekkelijk was, maar doordat het, in de ogen van de Russen, de stoot zou geven tot nieuwe technologische vindingen, waardoor hun achterstand nog groter zou worden. (Dat die vindingen uitgebleven zijn, doet er niet toe; het gaat om wat de Russen eventueel vreesden.)

Dat die achterstand niet in te halen zou zijn met de vertrouwde middelen van het socialistisch centralisme, moest tot eenieder die geen betonkop was, langzamerhand zijn doorgedrongen. Vandaar de objectieve noodzaak van hervormingen - hervormingen overigens die niet de bedoeling hadden het systeem als zodanig te veranderen (eerder: te versterken), maar in de praktijk toch, voordat ze nog goed en wel uitgevoerd waren, het systeem aan het wankelen, en ten slotte tot de ondergang, brachten.

Zo lijkt de Amerikaanse historicus van de Koude Oorlog John Lewis Gaddis, die tot de postrevisionistische school behoort, erover te denken. In een interview in het laatste nummer van Atlantisch Perspectief zegt hij:

“In de eerste plaats was het Sovjetsysteem zelf verantwoordelijk voor zijn eigen ondergang. Maar Reagan onderkende de kunstmatigheid van het Sovjetsysteem beter dan de experts, omdat hij een eenvoudig en ongeschoold denker was. Hij geloofde niet in de conventionele academische opvattingen over de Sovjet-Unie. Hij kende ze eenvoudig niet!

“Het pakte eigenlijk heel goed uit om iemand aan de top te hebben die zichzelf afvroeg: “Waarom voeren we eigenlijk een Koude Oorlog? Waarom denken we niet na over strategische defensie?' Dat waren goede vragen, omdat de Koude Oorlog voor de academici een dogma met eeuwigheidswaarde was geworden. En later accepteerde Reagan natuurlijk Gorbatsjov.”

Een lof van de domheid dus? In elk geval brengt Gaddis de betekenis van experts en academici, van wie hij er één is, tot haar ware proporties terug, en dat is op zichzelf gezond. “Verandering ontstaat - wanneer ze ontstaat in de academische, professionele of officiële wereld - meestal wanneer iemand iets doet wat, op het eerste gezicht, naïef, vreemd of zelfs stapelgek lijkt”, zei hij een jaar geleden in een rede voor de Amerikaanse krijgsschool.

Maar wat het belangrijkste is: grote gebeurtenissen in de wereldgeschiedenis zijn bijna nooit monocausaal, en zo kunnen de val van het communisme en het einde van de Koude Oorlog evenmin aan één oorzaak toegeschreven worden. Het gaat erom uit te vinden hoe die verschillende oorzaken op elkaar ingewerkt hebben, totdat de “chemische samenstelling” van dien aard was dat het kritieke punt onvermijdelijk was geworden.

Helemaal weten zullen we dat nooit, en daarom zullen de theorieën wel altijd van elkaar blijven verschillen. Geschiedenis is immers, zoals de historicus Geyl zei, een debat zonder einde.