Met bliksemsnel oor en een landmansoog; Gesprek met dubbeltalent Han Bennink

“Ik ga nu nog wel flink tekeer, maar hoe lang houd ik dat nog vol?” Han Bennink is verslaafd aan drummen maar ook is hij ontwerper van platen- hoezen en beeldend kunstenaar op zoek naar objets trouvés. “Ik vind dingen en ik gebruik ze opnieuw, tot ze tot op de draad versleten zijn.”

Han Bennink: Assemblages en tekeningen, t/m 8 mei in Galerie Espace, Keizersgracht 548, Amsterdam, di t/m za 12-17.30 uur.

Een schuur in Loenen aan de Vecht. Keurig op elkaar gestapelde koffers, dozen en trommels vormen met elkaar een massief blok van een paar kubieke meter. Kastjes en kistjes tegen de wand zitten propvol, maar puilen net niet uit. Onder een raam dat schaars daglicht naar binnen laat, staat een tafel met allerlei voorwerpen. Ze liggen kaarsrecht en los van elkaar, alsof ze vrezen voor cohabitatie. Ze completeren de sfeer van bedwongen chaos. Is dit de werkruimte van dat roemruchte drumbeest, de man van die vliegende en versplinterde sticks? Die speelt op alles wat los en vast zit en een santekraam aan "spullen' op het podium uitstalt?

“Ik kan niet tegen rommel om me heen,” zegt slagwerker/beeldend kunstenaar Han Bennink, vijftig jaar oud en morgen jarig. Dat de Bühne bij hem soms wat vol stond, was het gevolg van puur enthousiasme. Hij wilde al die "troep' gewoon graag bespelen. Tegenwoordig is zijn instrumentarium aanzienlijk kleiner. Voor solo-optredens neemt hij zich zelfs wel eens voor lange tijd alleen maar met brushes te spelen. Hij speelt ook niet meer zo hard als vroeger. En wat die gebroken stokken betreft; dat had te maken met de kwaliteit, het waren gewoon de allergoedkoopste. Ze kwamen uit de DDR en zijn inmiddels niet meer leverbaar.

Han Bennink, maker van ongeveer tweehonderd platen, begon in de jaren vijftig bij de Storktown Dixie Kids en het Trio Pim Jacobs, daarna rolde hij verder door begeleiding van musici als Johnny Griffin, Sonny Rollins, Dexter Gordon en Eric Dolphy, met wie hij een beroemde plaat maakte. Begonnen als bewonderaar van beroemde swingdrummers als Chick Webb, Cozy Cole en Big Sid Cattlett, en van de vroege bebop-drummers, wordt hij inmiddels zelf door veel Amerikaanse drummers bewonderd en nagevolgd. Bennink stond in het begin van de jaren zestig aan de wieg van de nieuwe geïmproviseerde muziek. Met zijn onorthodoxe spel haalde Bennink de drum uit de rol van time-keeper.

Het gesprek belandt bij zijn expositie van "assemblages' in Galerie Espace in Amsterdam. Hij wijst op de vloer waar, ook weer keurig in het gelid, een aantal stukken ligt uitgestald. Ouderwetse wasborden met iets erop geplakt, zogenaamde "Zeegezichten', een zeer gele kunstkaas met een stukje zonnewijzer en een penseel erop. De onderdelen zijn objets trouvés. “Ik vind dingen en ik gebruik ze opnieuw, tot ze tot op de draad versleten zijn.” Het stuk dat op de uitnodiging van de Galerie afgedrukt staat, heet S.O.S. en heeft de vorm van een zeilbootje. De elementen ervan heeft hij door strandjutten bij elkaar gescharreld. Het "zeil' is van een stuk vlonder van een boot gemaakt en de steel die het vlak verdeelt, komt van een bijl die hing op een cruiseschip.

Aan de zoldering hangen andere stukken voor de expositie. Quiet please staat er op een witgeschilderd slaghoutvormig bord, afkomstig van een golfterrein. Aan de onderkant hangt een bel en weer daaraan een veer van een condor. “Van de Andes-variëteit,” licht Bennink toe, “waar er nog maar een paar van over zijn.”

Is het maken van assemblages voor Bennink een hobby om na het inspannende drummen tot rust te komen? Zo moet men dat zeker niet zien. Zijn beeldende bezigheden staan op één lijn met zijn muzikale verrichtingen. Zo vreemd is dat niet. De vooral bij liefhebbers van jazz- en improvisatiemuziek bekende Bennink doorliep een opleiding voor beeldend kunstenaar, en is als slagwerker autodidact. Op wat tegenwoordig de Rietveldacademie heet, volgde hij een opleiding vrije grafiek, in de jaren '65-'67 gaf hij les op het Amsterdams Grafisch Atelier. Hij onderhield contacten met mensen als Ger van Elk, Lucassen en Jan Dibbets en exposeerde zijn werk o.a. in Galerie Swart, Museum Fodor, het Goois Museum en het Stedelijk te Amsterdam. En in het Italiaanse Reggio Emilia waar hij enkele jaren geleden volledig "carte blanche' kreeg en zelf concerten gaf.

Han Bennink praat in een razend tempo, waarbij de restanten van een stotter-tic zich bij vlagen opdringen. Dat hij beter wil leren drummen, elke dag weer. Het spelen is een verslaving. Hij wordt vreselijk onrustig als er eens even geen gigs zijn. Als hij niet uitzweten kan, voelt hij zich niet goed. Dan stopt zelfs zijn haargroei en krijgt hij pukkels. Maar misschien nog erger is dat hij dan niet meer weet wie hij eigenlijk is. Net als wielrenner Gerrie Kneteman als die eens even niet toeren kon. “En dan begint dat vreselijke tobben. Waarom gaat de telefoon niet, zijn ze me soms vergeten?”

Toch slaat hij ook wel eens aanbiedingen af. Zoals van gitarist Fred Frith, die hem onlangs vroeg voor één avond in Hong Kong en de volgende in Melbourne. Zelfs voor Han Bennink, de eeuwige onrust, is dat te vermoeiend. Dat het niet lucratief was kwam daar nog bij. Aan armoede heeft hij een hekel.

Terug naar de aanleiding tot het gesprek. De combinatie beeldend kunstenaar en musicus, wat heeft hij daarover te zeggen? Allereerst dat dat in Nederland eigenlijk niet kan. Als je het ene goed kunt, moet je in het andere wel slecht zijn. Voor zijn inkomen moet hij het bijna uitsluitend van de muziek hebben, maar dat zou hij best anders willen. Als hij zijn tijd fifty-fifty zou kunnen verdelen, dan zou dat ideaal zijn, ook met het oog op het ouder worden. “Ik ga nu nog wel flink te keer, maar hoe lang hou ik dat nog vol?”

Gedreven

Han Bennink staat er niet lang bij stil, maar begint gedreven namen te noemen van slagwerkers die ook beeldend hun mannetje staan, en vice versa. De Engelsman Tony Oxley, de Fransman Daniel Humair die vorstelijk van zijn schilderijen kan leven. En de inmiddels wereldberoemde schilder Penck, die zijn eigen fluit- en drumspel hoog aanslaat. Han Bennink heeft bij de laatste zijn twijfels. Van Pencks beeldend werk vindt hij maar een enkel stuk mooi, en van diens muziek heeft hij een nog minder hoge pet op. Ook in Nederland komt de combinatie drummer/beeldend kunstenaar veel voor: de ontwerper Martin van Duijnhoven, de tekenaar Wim Janssen, en er zijn er nog meer. Een afdoende verklaring heeft Bennink er niet voor.

De innigste band tussen Benninks muziek en zijn beeldende bezigheden zijn zijn ontwerpen voor platen, vroeger lp's, tegenwoordig cd's. Zo'n veertig stuks heeft hij er gemaakt. Een handvol voor buitenstaanders, maar de meeste voor de Instant Composers Pool, het kleine platenlabel waar hij zelf bij betrokken is. Een overzicht van zijn ontwerpen bestaat er niet. Een catalogus met alle ICP-platen heeft helaas nooit het licht mogen zien. Het maken van muziek ging altijd voor. De teloorgang van de lp heeft hij met lede ogen aangezien. Er zaten soms van die prachtige hoezen om. Hij opent een kist en laat een aantal stokoude exemplaren zien. Amerikaanse 10 inch hoezen, van heel dik en houtrijk karton. Zeldzame uitgaven van pianist Herbie Nichols, collectors's items. Voor sommige oude hoezen worden honderden dollars geboden. Het brengt de bespreking van een oude plaat van hemzelf in herinnering, waarbij recensent Peter Smids, Benninks hoesontwerp beter vond dan diens muziek. Een curieuze zaak omdat Smids, inmiddels al jaren directeur van het Utrechtse muziekcentrum Vredenburg, het jaar daarvoor als lid van de Wessel Ilcken jury Han Bennink de grote jazzprijs had toegekend. “Ik heb destijds mijn eigen markt verziekt,” bekent Bennink, “een plaat plus een unieke hoes, samen voor een tientje leveren, dat moet je natuurlijk niet doen.”

Han Bennink, beestachtig expressief volgens concertbezoekers, maar volgens eigen zeggen sober en calvinistisch ("werken, werken, morgen kan het wel slechter gaan'). Met een "bliksemsnel oor' en een landmansoog voor het alledaagse: een stuk wrakhout op het strand, een aangewaaide vogelveer, een molen in het polderland. Kindertekeningen vindt hij eigenlijk de allermooiste kunst. Zelf is hij eigenlijk ook nog een kind, onbevangen en nogal argeloos. Een kind dat, nogal uitzonderlijk heden te dage, geen afstand van oud speelgoed kan doen. “Zo'n kapotte drumstok waar zoveel emoties door heen zijn gegaan, kun je toch niet gewoon als oud vuil laten liggen. Daar moet je toch iets nieuws mee doen?” Ook als beeldend kunstenaar is Han Bennink een "Instant Composer': hij vindt iets en hij vindt er iets op.