In mijn rug de avondzon van morgen

Nobuo Ayukawa: Mens op de brug, gedichten. Vert. Cornelis Ouwehand. Uitg. Meulenhoff, 74 blz. Prijs ƒ 34,50.

Het is bijna een halve eeuw geleden dat de dichter Amir Hamzah op de Oostkust van Sumatra door de Republikeinen werd vermoord. Hij was pas 35 en had nog weinig gepubliceerd; toch wordt hij als de eerste grote zoniet grootste Indonesische dichter van de moderne tijd beschouwd. In het kamp maakte ik kennis met de bundel Njanji Soenji (Eenzame liedjes, 1937) en nog steeds als ik zijn gedichten herlees moet ik er aan denken dat hij vlakbij was, hemelsbreed misschien niet meer dan een kilometer of tien, twintig van Soengei Sengkol, waar ik toen genterneerd was.

Pas vele jaren later ben ik er achter gekomen dat er ook nog een andere grote dichter dicht in de buurt moet zijn geweest: Ayukawa Nobuo, op dat tijdstip soldaat tweede klas in het Japanse leger. Iemand vestigde mijn aandacht op de toen pas verschenen bundel Mens op de brug, vertaald en ingeleid door Cornelis Ouwehand, oud-hoogleraar Japans in Zürich (Meulenhoff 1989). In de inleiding werd mijn aandacht getrokken door de regels: "Een verzoek om zijn studie te mogen voltooien wordt afgewezen en als soldaat tweede klas van het Vierde Regiment Infanterie der Konoe Divisie vertrekt hij in april 1943 naar Sumatra. Door tropenziektes geteisterd en ernstig verzwakt wordt hij op een hospitaalschip, samen met doden en gewonden, in juni 1944 teruggebracht naar Japan. Het was een lange reis die later in een reeks van indrukwekkende oorlogsgedichten zijn neerslag en poëtische verwerking heeft gevonden...'

Hoe bijkomstig dat als aanleiding ook mag zijn, het maakte dat ik met meer dan gewone belangstelling in de bundel begon te lezen, en zo ontdekte ik, 46 jaar nadat ik hem misschien voor mijn ogen voorbij heb zien marcheren, de wanhopige gedichten van Ayukawa. Het lijkt me overigens ondenkbaar dat ik ook anders niet zou zijn aangegrepen door deze poëzie, die zelfs in de letterlijke en uitdrukkelijk niet "herdichte' vertaling van Ouwehand een onuitwisbare indruk maakt.

Het is niet onwaarschijnlijk dat dat ook iets te maken heeft met het feit dat de gedichten van Ayukawa aansluiten bij de traditie die ook voor de naoorlogse poëzie in Nederland een belangrijke voedingsbodem is geweest, namelijk die van Prufrock en The Waste Land van T.S. Eliot. Zo was de naam van het tijdschrift Braak in de eerste plaats op de laatstgenoemde bundel genspireerd; de ontreddering die in The Waste Land tot uitdrukking komt vertoonde veel overeenkomst met de situatie waarin Nederland na de oorlog verkeerde en iets dergelijks moet, zoals Ouwehand in zijn inleiding opmerkt, ook voor Japan het geval zijn geweest: "Er heerste een zelfde bewustzijn als dat waarvan Eliots The Waste Land een product is. Als protagonist van een moderne, naakte tijd behoorde Eliot tot de eersten die bewust onder totaal andere omstandigheden schreven.'

Alleen al uit het feit dat Ayukawa voor hij in dienst moest al ruim drie jaar Engels had gestudeerd, en toen al een tijdschrift had opgericht dat Arechi (letterlijk Waste Land) heette, is op te maken dat hij weinig met de Japanse oorlogsidealen op had, en het betekent vermoedelijk ook dat hij als op het Engels georiënteerde intellectueel werd gewantrouwd, zeker in het leger. Wat ook een belangrijke rol moet hebben gespeeld is de ambivalente relatie met zijn vader, die hij als een "meebruller in het fascistische koor' heeft beschreven. "Mijn denken en voelen', schreef hij in zijn oorlogsdagboek, "werden vanaf mijn kinderjaren uitsluitend door de antipathie tegen deze vader gevoed. En dat is ook de reden waarom mijn afkeer van het fascisme sinds mijn studietijd bijna lichamelijk was.'

In een van zijn aantekeningen komt de zin voor: "Het grootste dier dat ik eigenhandig heb gedood is een kip.' Er wordt geloof ik nog steeds niet vaak bij stilgestaan dat ook dergelijke opvattingen voorkwamen bij de Japanse soldaten die in Nederlands-Indië rondliepen. "Ernstig verzwakt en door zwartwaterkoorts en het opgeven van bloed', schrijft Ouwehand, "werd Ayukawa op 16 mei 1944 ingescheept op een hospitaalschip dat via Singapore, Johore, Saigon en Manilla op 18 juni 1944 Osaka bereikte.'

Ayukawa heeft over dat hospitaalschip en zijn ontredderde opvarenden verschillende onthutsende gedichten geschreven ("drieduizend ton aan verziekte suppletie / wordt de Mekong stroomopwaarts gesleept'), maar het meest aangrijpende thema van zijn poëzie is de terugkeer in "de woestenij van het "barre land' dat Japan heet'; een terugkeer uit de dood, want dat zou in Ayukawa's ogen het logische einde zijn geweest: "Wat blijft mij nog, met in mijn rug de avondzon van morgen?'

Hij voelt zich wat in het Frans genoemd wordt "un mort en sursis', omringd door hen "die met namen niet zijn te roepen', een "Mens op de brug' die "uit al zijn doen / een handeling moet kiezen / en aan de verwerpelijkste de voorkeur geeft.'

Ayukawa werd in 1920 in Tokio geboren. "De jonge moeder baarde haar oudste kind en enige zoon toen ze zestien jaar oud was'; zijn relatie tot zijn moeder - en tot vrouwen in het algemeen ("Nee, het was iets anders dan liefde. In elkaars armen / aan een van smart gekromde touwladder vastgeklemd / hingen we spartelend in de leegte') - en nog andere thema's moeten hier helaas onbesproken blijven. Van tijd tot tijd kom ik, bij het opruimen van mijn werktafel, de gedichten van Ayukawa weer tegen en iedere keer ben ik er meer van onder de indruk.

"Bij het lezen van deze gedichten', schrijft Ouwehand, "moet men wel tot de conclusie komen dat Ayukawa hier aan de grenzen van zijn existentie als dichter stootte. Meer was daarna nauwelijks mogelijk. Tussen 1978 en 1983 publiceerde hij nog tien gedichten. Vanaf 1983 droogde de bron op. (-) Geen andere moderne Japanse dichter heeft zichzelf zo meedogenloos ontleed en blootgegeven.'