Ik heb een plastic zak gezien; Amsterdamse foto's van Hans Aarsman

De foto's van Hans Aarsman schijnen niet meer in te houden dan een objectief verslag van de stedelijke omgeving maar toch maken ze een onuitwisbare indruk. De stad die je romantisch als een levendig organisme ervaart, wordt op de foto's ontmaskerd als chaos.

Aarsman's Amsterdam. Uitgave van Boekhandel De Verbeelding, Amsterdam. Handelseditie tot 1 juli ƒ 59,50, daarna ƒ 69,50. Speciale editie, uitsluitend verkrijgbaar bij De Verbeelding, met originele foto, ƒ 79,50, na 1/7 ƒ 89,50. Het boek verscheen ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van boekhandel De Verbeelding, Utrechtsestraat 40, Amsterdam.

De foto is genomen in de Amsterdamse Jordaan, te weten de Akoleienstraat, een straatje van niets dat van de Rozengracht naar de Bloemstraat loopt. Hij toont het wegdek, zes bruine en twee witte markeringspaaltjes, putdeksels, een paar fietsen, twee geparkeerde auto's, wat aangewaaide, dorre bladeren, de vervaagde reclame in gedateerde, schreefloze letters boven een dichtgetimmerd bedrijfje, potplanten voor de ramen van de verdieping daarboven, straatverlichting, graffiti en een tegen een gevel geplaatste plastic zak waar een te veronachtzamen restant van een gebroken baksteen naast ligt. De foto werd gemaakt op een moment waarop de straat verlaten was. Mensen noch huisdieren figureren er. Je ziet alleen maar die naargeestige straat, verder gebeurt er niets.

Uit de foto spreekt ook geen voorkeur voor een bepaald detail. Aan de takken van een tegen de gevel gegroeide bruidssluier heeft de fotograaf net zoveel aandacht geschonken als aan de gedeukte kentekenplaat van een geparkeerde auto. Een fietsketting is even prominent aanwezig als de ouderwetse Douwe Egberts-reclame die achtergebleven is op de deur van een verdwenen winkel. Een oranje schemerlamp achter een raam doet niet onder voor de ontluchtingskoker van een gevelkachel. Al die triviale details zijn met een schrijnend aandoende scherpte geregistreerd. Er valt niet aan te ontkomen. De foto gedraagt zich als een val waarin je klem raakt. Alles wat is waargenomen, schijnt dezelfde betekenis te hebben waardoor er geen betekenis meer is. Je blik dwaalt hulpeloos rond, glijdt van de potplanten naar de vodjes papier op straat en van een weggeschilderd huisnummer naar de horizontale stang van een herenrijwiel. Het is een vergeefse ontsnappingspoging. Het beeld biedt geen soelaas, het verwijst naar niets dan zichzelf. De genade die de beschouwer van de foto van de Akoleienstraat ten deel valt, beperkt zich tot een nauwelijks zichtbare schaduw onder de bumper van een auto.

Toevallig heb ik lang in de omgeving van de Akoleienstraat gewoond. In deze buurt plegen de bewoners veel voor het raam te zitten of uit het raam te hangen, daarbij met de ellebogen op een speciaal voor dit doel aangeschaft kussentje steunend, ten einde op de hoogte te blijven van het buitengebeuren. Nieuwtjes dienaangaande worden wel op luide toon doorgenomen met andere raam-waarnemers, ook waar het gebeurtenissen betreft met een schijnbaar geringe nieuwswaarde zoals het zich simpelweg over straat voortbewegen van bijvoorbeeld een in buurt werkzame vrachtwagenchauffeur als Eddy Ster. Maar tijdens deze conversaties heb ik op de vraag "Is er nog iets bijzonders gebeurd?' nooit horen antwoorden "Ja, ik heb zes bruine en twee witte "Amsterdammertjes', een plastic zak en een gebroken baksteen gezien in de Akoleienstraat'. Wat de foto toont, is in feite het meest verzwegen deel van de alledaagse werkelijkheid. Persoonlijk ken ik slechts één Nederlandse roman waarin straatstenen, raamkozijnen, stoepranden, losse bakstenen en proppen papier de hoofdrol spelen. In dit fascinerende boek, getiteld Een avond in Amsterdam (uitg. Querido, 1971) ondervraagt de auteur, K. Schippers, een andere auteur, de schrijver van het Groot Amsterdams kroegenboek, Ben ten Holter, naar zijn bevindingen op dit gebied. K. Schippers voert tien diepgravende gesprekken met Ten Holter over het onderwerp en merkt op een gegeven moment op: "Je selecteert dus dingen, die mededeelbaar zijn. Maar zijn die dan belangrijker voor jou dan de dingen waar je het niet over hebt?'. Ten Holter ontkent dit. "Maar de dingen die je doorvertelt zijn, zoals je zegt, een kleine greep uit alles wat je ziet en meemaakt?', vervolgt K. Schippers. Ten Holter antwoordt: "(-) Die grens is niet te trekken. Iets kan zo miniem zijn, wat je gezien hebt, en toch kan het op een bepaald moment een functie hebben. Die streep op de weg, heb je normaal gesproken bijna geen mening over. Een keer wordt er iemand uit een café gesmeten, zo over die streep heen, door de lucht. Zo komt die streep in het verhaal. Ik zal nooit zeggen er loopt een streep over de weg, maar doordat die man er overheenvloog, kon ik het erover hebben. Het is een soort smokkelen. Niet dat je het nu speciaal over die dingen wilt hebben. Maar toch denk je even, die streep, ik heb hem, hij is ook in taal niet onopgemerkt gebleven. Je koppelt het aan wat voor een ander interessanter kan zijn. Maar in feite ben je omgeven door dingen waar je het voor het grootste deel maar niet over hebt.'

Baneneschil

In het fotoboek Aarsman's Amsterdam, dat 42 kleurenfoto's omvat en waarin de foto van de Akoleienstraat is opgenomen, is het nauwelijks bespreekbare zonder omwegen gevisualiseerd. De fotograaf Hans Aarsman toont de trottoirs zonder de bananeschil om over uit te glijden en het met strepen gemarkeerde wegdek waarop zich niets opmerkelijks afspeelt. Op de foto's zie je trams, auto's, fietsers en voetgangers die zich verplaatsen in de stedelijke ruimte. Ze bevinden zich in oude wijken of in nieuwbouwwijken. Het is opgehouden met regenen en in de Wibautstraat is het asfalt aan het opdrogen. Aan de gradatie groen van het vierkante grasperk op de voorgrond is te zien dat de graspollen nog nat zijn. Iemand steekt er over op het zebrapad en er zijn veel auto's op de weg. Ieder beeld is herkenbaar maar wat valt er verder over te melden? De fotograaf heeft iedere anekdotiek uit zijn voorstellingen verbannen. Dat ene meisje met het kleine hondje in haar armen, dat de weg over wil steken, gaat tegelijkertijd op in de anonimiteit van het straatbeeld.

De foto's van Hans Aarsman schijnen niet meer in te houden dan een objectief verslag van de stedelijke omgeving maar toch maken ze een onuitwisbare indruk. Ze lijken met terugwerkende kracht de beelden op te roepen waarvoor je liever je ogen sluit en waarover je zwijgt. De stad die je romantisch als een levendig organisme ervaart, wordt op de foto's ontmaskerd als chaos. Je raakt de richting kwijt. De samenhang is weggevallen, mensen, huizen en stoepranden bevinden zich toevallig op dezelfde plek. Toch is het waarheidsgehalte van Aarsman's Amsterdam niet per definitie hoger dan dat van Ed van der Elskens Amsterdam (1979) waarin de authenticiteit van de bewoners de grauwste straten een glans van schoonheid verleent. Een stad is meer dan een verzameling huizenblokken en wegen maar ook meer dan een verzameling kleurrijke stadstypes. In vergelijking met Van der Elskens boek tekent Aarsman's Amsterdam zich vooral af als een buitengewoon moedige onderneming. De aandacht van de kijker gaande te houden met beelden die je hoogstens als kennisgeving kan aannemen en die toch in staat zijn om een emotionele lading bij de beschouwer aan te boren, is geen sinecure.

Wasserette

Aarsman schreef in zijn fotoboek een dagboekachtige tekst waarin hij hetzelfde schijnt na te streven als in zijn foto's. Het geheel is niet belangrijker dan de de delen, noch is het omgekeerde het geval. Aarsman schrijft over de wasserette, over het sterfbed van zijn vader, de dood van zijn zusje, zijn ongelukkige liefde, over een meisje met een zelf gebreid rokje, het rijden op een fiets, een ruzie met een automobilist en over fotografie. "Eindelijk is er dus een medium waarmee de scheve verhouding kan worden rechtgetrokken die sinds mensenheugenis bestaat tussen de mens en de rest van de schepping. Met de fotografie is het mogelijk alles, van straattegel tot filmster, op een gelijkwaardige wijze weer te geven. Maar wat doen ze? Ze gaan ergens op scherp stellen, ze zetten iets prominent in beeld, ze laten het licht ergens op vallen, ze drukken donker wat ze onbelangrijk vinden.'