Hoogleraar hekelt opvatting artsen over beëindiging van leven; "Rechtszekerheid patiënten in het geding'

RHENEN, 16 APRIL. De rechtszekerheid voor patiënten die niet zelf hun wil kunnen uiten (wilsonbekwamen), zoals demente mensen en geestelijk gehandicapten, is in het geding. Artsen mogen in geen enkel geval het leven van een patiënt beëindigen als een nadrukkelijke wilsverklaring van de patiënt ontbreekt.

Dat zei prof.mr. J.H. Hubben, hoogleraar gezondheidsrecht aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, vandaag op de jaarvergadering van de Vereniging voor Gezondheidsrecht in Rhenen. Hubben reageerde op twee verschillende discussies die in de artsenwereld over levensbeëindiging van wilsonbekwame patiënten worden gevoerd. De positie van de wilsonbekwame patiënt wordt door heersende opvattingen in artsenkring in zijn ogen sterk bedreigd.

Kort na elkaar verschenen onlangs twee rapporten met voorstellen over levensbeëindiging van gehandicapte baby's en demente mensen, het eerste afkomstig van de Vereniging voor Kindergeneeskunde, het tweede van de artsenorganisatie KNMG en volgens Hubben “genuanceerder geformuleerd” dan het rapport "Doen of laten' van de kinderartsen.

Een werkgroep van de KNMG vindt actieve levensbeëindiging bij ernstig demente mensen aanvaardbaar bij mensen die over een nadrukkelijke wilsverklaring beschikken. Dat geldt volgens haar ook bij ernstig dementen die bovendien lichamelijk ernstig lijden door hevige piijn of benauwdheid en van wie de veronderstelde wil kan worden gereconstrueerd, bijvoorbeeld met hulp van familieleden. Volgens Hubben kan van dat laatste geen sprake zijn omdat in die situatie een uitdrukkelijk verzoek van de patiënt ontbreekt. “Ontstaat zo niet veel ruimte voor de interpretatie van de wil van de patiënt en daarmee voor druk van buitenaf om tot levensbeëindiging van demente bejaarden over te gaan”, vraagt de Nijmeegse hoogleraar zich af.

Hubben is het eens met de kinderartsen als zij zeggen dat medisch zinloos handelen, naar objectief medische normen, achterwege moet blijven. Zij zetten echter een belangrijke stap verder door daarnaast ook levensverlengend handelen te willen staken of daarvan afzien indien de pasgeborene wel een overlevingskans heeft maar de baby niet het vooruitzicht van een "leefbaar leven' heeft. Criteria die de kinderartsen daarvoor geven, zoals communicatie, zelfredzaamheid, afhankelijkheid van het medisch circuit, lijden en te verwachten levensduur, kunnen volgens Hubben niet anders worden opgevat dan “als waardering van de toekomstige kwaliteit van het leven van de pasgeborene.”

De kinderartsen geven aan dat over hun voorstellen weliswaar verschillen van inzicht bestaan, maar zeggen dat “in een pluriforme samenleving keuze voor een opzettelijke levensbeëindiging onder bepaalde omstandigheden tot de mogelijkheden dient te behoren”. Hubben meent dat de consequentie van dit standpunt is dat bijvoorbeeld in het geval van een pasgeborene met een ernstige geestelijke handicap, die bij normale verzorging lange tijd kan overleven, op grond van de prognose van de kwaliteit van het leven opzettelijke levensbeëindiging tot de mogelijkheden gaat behoren.

“Wie wel eens de afdeling diepgestoorden van een instelling voor geestelijk gehandicapten heeft bezocht, weet dat er vele gehandicapten zijn die in die categorie kunnen worden ondergebracht. Er is blijkbaar een grens aan die pluriforme samenleving die door de kinderartsen als argument voor hun gepresenteerde beleid wordt gehanteerd.” Bij de redeneertrant van beide rapporten past volgens Hubben heel goed de mogelijkheid om levensbeëindiging van geestelijk gehandicapten ter discussie te stellen. “De positie van de gehandicapte mens als medeburger wordt daarmee aan het wankelen gebracht.”

Hubben noemt deze ontwikkeling in strijd met het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens dat ieders recht op leven beschermt; “Het bestaan van die "buitengrens' moeten ook beoefenaren van de medische ethiek zich meer realiseren.” Ook als door de toepassing van nieuwe medische technologieën in de praktijk van de kindergeneeskunde problemen ontstaan, kan dat geen reden zijn om de juridische grenzen te verleggen, aldus Hubben.