Harteloze moedervogels; John Updike in vol ornaat

John Updike: Memories of the Ford Administration. Uitg. Hamish Hamilton. 371 blz. Prijs ƒ 37,80

Bijna twintig jaar geleden heeft Updike een toneelstuk geschreven over James Buchanan, de vijftiende president van de Verenigde Staten en de voorganger van Abraham Lincoln. Het stuk deed het niet erg en het lijkt erop dat Updike lang heeft zitten zinnen op een manier om het verhaal over Buchanan toch nog produktief te maken. Dat heeft hij nu in zijn nieuwe roman gedaan. Afgezien van het feit dat hij al zijn materiaal niet in een onfortuinlijk toneelstuk wilde laten liggen, is het begrijpelijk dat hij nog een keer op Buchanan is teruggekomen, want hoe vergeten hij nu ook is, hij was een intrigerende figuur. Hij was de enige president die altijd vrijgezel is gebleven en zijn tijdgenoten zeiden zelfs dat hij in de maagdelijke staat was overleden. Historisch is hij van betekenis omdat hij uit alle macht heeft geprobeerd de afscheiding van het Zuiden, en daarmee de Burgeroorlog, te voorkomen. Dat is hem tijdens zijn presidentschap gelukt, maar in 1861, het jaar van zijn aftreden, brak die oorlog toch uit.

In een van de vele interviews naar aanleiding van de nieuwe roman heeft Updike ronduit verklaard dat hij een "modern' verhaal in zijn hoofd had dat te mager was voor een heel boek maar omvangrijk genoeg als raam voor de geschiedenis van Buchanan. Dat moderne verhaal gaat over huwelijksmoeilijkheden, ontrouw en schuldgevoel, een territorium waar Updike als geen ander thuis is. Ingebed in dat verhaal ligt het relaas van Buchanan.

De opzet van het boek is vernuftig en veelbelovend. Alfred Clayton, een geschiedenisdocent aan een klein college in New England, krijgt van een historisch tijdschrift de uitnodiging om zijn herinneringen aan het presidentschap van Gerald Ford op te schrijven. Hij vat die uitnodiging buitengewoon persoonlijk op en begint meteen over de moeilijkheden met zijn vrouw, die hij de koningin der wanorde noemt, en over zijn nieuwe vriendin Genevieve, die hij voorstelt als de volmaakte echtgenote. Negen bladzijden verder sleept hij Buchanan er al bij omdat hij in die tijd bezig was met een boek over hem. Na tien jaar ploeteren was hij met dat boek opgehouden omdat hij verslagen werd "door het voortdurend vergelijken van nauwelijks van elkaar afwijkende secundaire versies van feitelijkheden.' Geen groot historicus, die Clayton. Hij weet ook nog een pikant detail mee te delen, namelijk dat Ford de enige niet-vermoorde president is wiens naam op een d uitgaat, ongetwijfeld het meest zinloze feit in de biografie van Ford. Niet alleen zinloos maar ook onjuist. Clayton lijkt niet te weten dat Cleveland ook niet is vermoord.

Voor Clayton werd het presidentschap van Ford uitsluitend gekenmerkt door zijn eigen erotische escapades en zijn gezwoeg op Buchanan. Over Ford zelf heeft hij zo goed als niets mee te delen. Aan het eind van zijn relaas zegt hij in een enkele alinea dat Ford eigenlijk de perfecte president was en dat hij alles goed heeft gedaan, maar hij zegt dat tussen neus en lippen door en zonder ergens op in te gaan. Zijn slotconclusie is dan ook dat "hoe langer ik over het presidentschap van Ford nadenk, hoe meer ik het idee krijg dat ik me er niets van herinner.'

Van zijn eigen verrichtingen herinnert hij zich alles. Bij het tijdschrift zullen ze vreemd hebben opgekeken toen ze beschrijvingen zagen van Claytons vrijpartijen met zijn minnares en de vrouw van een collega en de moeder van een studente. Die beschrijvingen zijn allerminst terughoudend maar op Updike's bekende manier zeer vrijmoedig, soms niet onaangenaam sensueel, maar vaker quasi-poëtisch of vaag klinisch. Een mooi voorbeeld is: "Ik stelde me het psycho-seksuele binnenste van mijn vrouw voor als een getijde-moeras waar een smal pad langs gigantische, wuivende kattestaarten en verborgen nesten van zilverreigers kronkelde.' Dat is Updike in vol ornaat. In deze roman wordt er met die stijleigenaardigheden een beetje de draak gestoken doordat Clayton zo'n rare verteller is. Hij is even pretentieus als pompeus en verdwaalt onophoudelijk in zijn eigen verhaal. Als hij het spoor helemaal bijster is, gaat hij de redacteuren van het tijdschrift uitleggen waarom hij zo vaak afdwaalt, wat neerkomt op een verdubbelde afdwaling. Hij kan ook nauwelijks iets meedelen zonder er een vergelijking bij te halen. Aan de redactie schrijft hij dat ze maar wat vergelijkingen weg moeten schrappen als het er teveel worden, "zoals de harteloze moedervogels bij sommige soorten de zwakke jongen uit het nest laten stoten door de sterkere' - ook weer een vergelijking net op het ogenblik dat hij zegt dat er al teveel zijn. Overdadige vergelijkingen en buitensporige beeldspraak zijn al vaak genoemd als de zwakke plekken in Updike's stijl. In het commentaar dat Clayton op zijn eigen werk geeft, klinkt nu voor het eerst iets door van een Updike die zichzelf parodieert. Clayton is niet alleen de grappigste verteller die hij bedacht heeft, hij is ook Updike in een lachspiegel. Dat geeft het boek iets verrassends en vrolijks.

De biografie van Buchanan neemt ongeveer evenveel ruimte in beslag als het "moderne' verhaal. Dat is alleen maar te rechtvaardigen als er tussen de twee verhalen dwingende parallellen bestaan of als ze elkaar in perspectief zetten. Daar is hier geen sprake van. De twee verhalen staan naast elkaar en worden nooit met elkaar verweven. Het enige is dat Clayton duidelijk affiniteit met Buchanan vertoont. Het zijn allebei aarzelende mannen die alles lang afwegen en het moeilijk vinden om tot een besluit te komen. Dat is lang niet genoeg om de lezer te overtuigen van de noodzaak om Buchanan zoveel aandacht te geven. Dat wil niet zeggen dat de hoofdstukken over hem te verwaarlozen zijn.

Integendeel, er zijn heel boeiende bij. De dood van Ann Coleman, met wie Buchanan een tijdlang verloofd was, wordt aangrijpend weergegeven en lijkt, als onbewuste zelfmoord, een directe echo van de dood van Eline Vere. Maar ook dat stuk wordt niet gentegreerd in het geheel, evenmin als de uitvoerige stukken over Buchanans politieke leven. Ook al levert de combinatie van de twee verhalen, die in het begin zo veelbelovend leek, niet veel op, elk verhaal op zichzelf doet dat wel, en de parodiërende rol van de dwaze verteller geeft het boek een heel aparte plaats in het werk van Updike.