Fris aan alle leden en drie talen sprekende; De tentoongestelde mens in Haarlem

Het is verleidelijk om te geloven dat raar gebouwde mensen vroeger niet werden vertoond om te worden uitgejouwd en bespot. Waarom zou er geen sprake kunnen zijn geweest van oprechte bewondering voor mensen die afweken van de eeuwige, saaie norm, voor vrouwen met volle baarden of met een schitterende paardestaart tussen hun schouderbladen, voor mannen met een extra been of een broertje dat, in rokkostuum gekleed, uit hun borst groeit?

De tentoongestelde mens. Teylers museum, Spaarne 16, Haarlem. Di t/m za 10-17u, zo 13-17u. Publikatie: B.C. Sliggers en A.A. Wertheim (red.): De tentoongestelde mens. reuzen, dwergen en andere wonderen der natuur. Uitg. Walburg pers, 96 blz. Prijs ƒ 27,50.

Het merkwaardigste schepsel op de expositie over de tentoongestelde mens in het Teylers Museum in Haarlem, is de zoon van een vrouw met de baard en een broer van een jongen met kreefteklauwen. Dit kind, 18 maanden oud, had geen armen, in plaats van een linkerbeen de staart van een zeemeermin en in plaats van een rechterbeen de ronde borst van een twintigjarige vrouw. Het gezin staat afgebeeld op een strooibiljet dat hun optreden in 1857 in Amsterdam aankondigt. Het is een tekening, en ik vermoed dat het jongetje door de kermisexploitant is verzonnen, al is de combinatie van lichaamsdelen daar bijna te bizar voor. De meeste mensen wier portret, kleding of beenderen hier te zien zijn, hebben wel echt bestaan - van de dertiende-eeuwse reus Klaas van Kieten tot de negentiende-eeuwse prinses Paulina, slechts 48 centimeter groot.

De tentoonstelling beperkt zich tot mensen die in Nederland zijn geboren of hier te zien zijn geweest. Wat er van hen is overgebleven, is voornamelijk reclamemateriaal; prenten en affiches waarop de exploitanten hun menselijke waar aanprijzen. Met dit materiaal is iets vreemds aan de hand. Het lijkt erop dat de wonderen der natuur werkelijk bewonderd moesten worden, niet aangegaapt, uitgejouwd en bespot. Op een prent over de Hongaarse Siamese tweeling Helena en Judith, die in 1708 op de Haagse kermis te zien waren, staat al te lezen dat hier geen sprake is van een gedrocht of een wanschapenheid. De tweeling is "fris aan alle leden en drie talen sprekende'.

Vooral in de negentiende eeuw worden bijna alle rariteiten het rijk der schoonheid binnengepraat. Marie-Madeleine Lefort, de moeder van het jongetje met de meerminnestaart en de vrouweborst, was de eerste vrouw met een baard die in Nederland tentoongesteld werd. Volgens haar uitbater was mevrouw Lefort "een schoon model voor de akademie'. Ook de Amerikaanse Annie Jones, die in 1895 op het Rembrandtplein in Amsterdam was te zien, was volgens een strooibiljet een waar model voor een beeldhouwer. Haar baard, van fijn, zacht èn glanzend haar, vond circusdirecteur P.T. Barnum mooier dan die van menig man en hij versierde haar kin.

Over albino's zijn de exploitanten nog lyrischer. Een Chinese albinodame, een nachtvrouw, had lange haren die tegelijkertijd sneeuwwit en zilverkleurig waren. De haren van de tweeling Honorine en Emilie blonken als gepolijst zilver en hun ogen waren rood als scharlaken.

Wie alleen op deze reclames afgaat, zou denken dat het schoonheidsideaal vroeger heel wat minder beperkt was dan nu. Dikke dames waren de bloem der kermis, de ster van het noorden, het pronkjuweel der vrouwen. Drie Amerikaanse negerinnen die aan een ziekte leden waardoor hun huid zwart-wit gevlekt was, werden aangeprezen als de drie gratiën uit Afrika.

Bij mannelijke rariteiten werd er minder nadruk op schoonheid gelegd. Maar ook de afwijkingen die hen bijzonder maakten, zetten de exploitanten anders in dan je zou verwachten. De Russische haarman Stephan Bibrowski was volgens circusdirecteur Barnum half mens, half leeuw. Maar op de poster die Bibrowski adverteert is geen woest grommend wezen in een kooi te zien, integendeel, Bibrowski ligt ontspannen op een wit vloerkleedje en leest een toneelstuk van Shakespeare. Dit schootleeuwtje is de favoriet van vrouwen en kinderen, staat er nog bij.

Het is verleidelijk om de reclamemakers op hun woord te geloven. Waarom zou er geen sprake kunnen zijn geweest van oprechte bewondering voor mensen die afweken van de eeuwige, saaie norm, voor vrouwen met volle baarden of met een schitterende paardestaart tussen hun schouderbladen, voor kolossale parels, voor gratiën met tijgerprint, voor mannen met een extra been of een broertje dat, in rokkostuum gekleed, uit hun borst groeit?

Drijfveren

Maar zo was het niet. In 1898 protesteerden Annie Jones, de Esau Lady, en de parasitaire tweeling Lalloo tegen de naam freaks. Onder die naam wilden ze niet langer optreden. In Middeleeuwen en Renaissance omringden vorsten zich met dwergen, reuzen en mismaakten om hun eigen schoonheid en macht des te meer te doen stralen. De drijfveren van de meeste kermisbezoekers zullen waarschijnlijk niet veel anders zijn geweest. Het bekijken van freaks gaf hen vast een intens gevoel van tevredenheid. Dit blijkt eens te meer uit de kunstjes waarmee mensen zonder armen het meeste succes boekten. De Russische rompmens Nikolaj Kobelkoff trad op als schilder, boeienkoning en acrobaat. Maar de toeschouwers zagen liever hoeveel moeite het Kobelkoff kostte dingen te doen die voor hen geen enkel probleem waren, zoals eten en drinken. Dan klapten ze het hardst. Dat mensen zonder armen konden schrijven, was in de zeventiende en achttiende eeuw, toen de meeste mensen dat nog niet leerden, overigens wel bijzonder.

Het meest tragisch zijn de carrières van mensen met een talent dat door hun handicap gefnuikt werd. De armloze Carl Hermann Unthan, in 1848 geboren in Oost-Pruisen, kon vioolspelen met zijn voeten. Hij kreeg les op het conservatorium in Leipzig. Unthan trad eerst op in concertzalen, maar ook hij eindigde op de kermis, waar het er niet toe deed hoe goed hij viool kon spelen. Dat hij het kon was, ondanks zijn bijnaam de "Pedal Paganini', genoeg. Op een pamflet dat een optreden van Unthan in Londen aankondigt is het viool spelen slechts een van de vele kunsten die hij beheerst, tussen kaart spelen en sigaretten rollen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog gaf Unthan lezingen voor soldaten die op het slagveld ledematen hadden verloren. In de Tweede Wereldoorlog kwamen ook veel natuurwonderen in de gaskamers terecht.

Net als voor de armlozen was het voor de meeste andere freaks niet genoeg om zich te laten zien. Hun handicap moest wel zeer buitenissig zijn, om voor zichzelf te kunnen spreken, net zoals een olifant in het circus minder hoeft te kunnen dan een muis. Op de kermis en in het circus hadden de wondermensen bovendien concurrentie van petomanen en vuurvreters, buiksprekers en hypnotiseurs, en, inderdaad, van olifanten èn zingende muizen. Daarom was Lionel de leeuwmens acrobaat, trad de baardvrouw Marie-Madeleine Lefort op met slangen en een krokodil, stond het Ossendrechtse prinsesje Pauline op haar handen en trouwde Pete Robinson (29 kilo) met Bunny Smith (234 kilo) en deed dit echtpaar op het podium een dansje.

De meeste vertegenwoordigers van verre volkeren moesten ook iets doen, al was het maar het veelvuldig eten van rauwe vis, zoals de eerste eskimo die in 1625 in Den Haag te zien was. In een kajak peddelde hij in de Haagse hofvijver. Op de wereldtentoonstellingen aan het eind van de negentiende eeuw werden de vreemde volkeren "in hun eigen omgeving' gepresenteerd, zoals op de koloniale tentoonstelling in Amsterdam in 1883. In het circus waren vooral indianen populair, omdat die samen met cowboys een spectaculaire show met paarden en vuurgevechten konden laten zien, die de cowboys altijd wonnen. De grens tussen volkerenshow en circus is niet erg scherp. Nog in 1951 verzorgden "prince Kari-kari en zijn somalinegers' een nummer met paarden en kamelen voor circus Strassburger. Tijdens een bezoek aan de menagerie met dieren uit alle werelddelen kon men ook de zeden en gebruiken van de prins en zijn stam in hun negerdorp bewonderen.

Laatste reus

Het tentoonstellen van mensen beleefde omstreeks 1900 zijn hoogtepunt in The Greatest Show on Earth van circus Barnum & Bailey. Een voorstelling van deze show, die ook door Nederland toerde, kon door 12.000 mensen worden bijgewoond. Daarna is het langzaam bergafwaarts gegaan. Het tentoonstellen van mensen is nu bijna uitgestorven. De laatste reus die in Nederland met zijn reus-zijn geld verdiende was Rigardus Rijnhout uit Rotterdam, die in 1959 overleed. Rijnhout trad niet op; hij zat in een rolstoel en verkocht ansichtkaarten van zichzelf. Alleen dwergen treden nu nog wel in het circus op.

Bert Sliggers geeft in de catalogus een paar oorzaken voor het uitsterven van de tentoongestelde mens. De opkomst van de bioscoop is er een van, de snelle vooruitgang van de medische wetenschap een ander. Er zijn nu minder mensen met afwijkingen dan vroeger en door de betere sociale omstandigheden zijn ze niet meer genoodzaakt uit hun handicap munt te slaan.

Toch is niet alleen het aanbod, maar ook de vraag veranderd. Wie zou er nu voor betalen om naar een vrouw met een ernstige ziekte te gaan kijken? Een vrouw met een baard zou nog wel gaan; zij kiest er kennelijk zelf voor haar baard niet af te scheren. Maar een man zonder armen die viool kan spelen of een Siamese tweeling die een liedje zingt, nee. Toch is de nieuwsgierigheid naar dit soort mensen niet afgenomen. De publiciteit die deze kleine tentoonstelling in het Teylers Museum krijgt is daar al een bewijs van. Maar de nieuwsgierigheid wordt nu in toom gehouden door schaamte en door empathie, door het vermogen om je in iemand anders te verplaatsen. In de negentiende eeuw vroeg men zich blijkbaar niet af hoe het was zelf een freak te zijn, in een kooi of op een podium te zitten en om niets bekeken en, soms, uitgelachen te worden. Nu vraagt men zich dat wel af. Hoe voelt het om daar te zitten? De belangstelling voor het innerlijk heeft de belangstelling voor het uiterlijk gecompliceerd. Alleen als iemand mooi is, op uitmuntende wijze aan de norm voldoet, mag hij zich nu nog zomaar laten zien.

Documentaires, foto's en boeken over wondermensen trekken nog wel publiek omdat de kijker anoniem kan blijven. Nog bevredigender is een speelfilm als The Elephant Man (David Lynch, 1980), omdat die inzicht geeft in de gevoelens van de bespotte mismaakte. De cultfilm Freaks (Tod Browning, 1932), nog steeds enig in zijn soort, kiest radicaal partij voor de menselijke rariteiten. We zien en genieten van de wraak van de freaks op een mooi trapezemeisje en haar geliefde, de sterke man, die geprobeerd hebben een van hen te vermoorden. Voor de duur van de film staat de kijker eindelijk aan de andere kant, is hij voor even freak met de freaks.

De twintigste-eeuwse nieuwsgierigheid naar het innerlijk van de tentoongestelde mens kan de expositie in het Teylers Museum niet bevredigen. Geen woord over de ziel; de reclamemakers hebben het, hun ironie over schoonheid ten spijt, alleen over schoenmaten en haarkleuren, kilo's en baardlengtes; uniek en nog nooit vertoond.

Alleen de schilderijen van de Amsterdamse amateurtekenaar Jan Velten geven van werkelijke belangstelling voor zijn onderwerp blijk. Velten, de zeventiende-eeuwse Diane Arbus, schilderde voornamelijk menselijke rariteiten die tentoongesteld werden in de Amsterdamse herberg Blauw Jan. Zijn portret van een Italiaanse vrouw met elephantiasis-benen, is een van de weinige kunstwerken op de tentoonstelling.

Schrijfboekje

Het enige egodocument dat in Haarlem is te zien, is het schrijfboekje van de Friese dwerg Jan Hannema, die als admiraal Tom Pouce in heel Europa optrad. Hannema zong, marcheerde, verkleedde zich als Napolitaans vissertje, floot een aria en reed op een pony. Het boekje beslaat de maanden van februari tot juli 1851. Hannema is twaalf jaar en zit met zijn vader, vroeger apotheker, nu manager van zijn zoon, in Keulen te wachten op het circus van een meneer Horn, bij wie hij in Parijs al had opgetreden. Af en toe laat hij zich op verzoek zien, in het hotel waar hij logeert of bij mensen thuis. De beschrijvingen hiervan in het dagboek zijn miniem: "Heeden avond half uit gekleed zijnde nog onder geroepen in den eetzaal bij een gezelschap heeren. Hiervan ontvangen twee guldens.' "Vanavond om zes uur in het paleis van de Markgraaf Wilhelm geweest, welke daarvoor vier kroondaalders gegeven heeft.' Zo gaat het door. De dom van Keulen is onbeschrijfelijk mooi en op 12 februari wast Hannema zijn zijden slaapmuts. Hoe hij zijn optredens vindt, hoe het is om dwerg te zijn, om bekeken te worden, daarover vertelt hij niet. Voor hem was het niets bijzonders.