Directeur De Lage Landen over de gevolgen van economische teruggang; Betalingsgedrag bedrijven zienderogen achteruit

EINDHOVEN, 16 APRIL. Zo erg als begin jaren tachtig is het nog niet, maar het betalingsgedrag van afnemers van goederen en diensten in het bedrijfsleven verslechtert zienderogen. Ook het aantal fraudegevallen neemt toe. Dit ondervindt A. Toebosch, algemeen directeur van het leasing en factoringbedrijf De Lage Landen, een volle dochter van de Rabobank.

Volgens Toebosch, wiens factoring-afdeling alleen al dagelijks 80 man in dienst heeft om debiteuren te bewegen tot betaling, heeft de teruggelopen betalingsmoraal direct te maken het de "economische temperatuur'. Niet alleen kleine afnemers die in moeilijkheden verkeren nemen het minder nauw met de betalingsdiscipline. Ook een concern als Philips verlengde vorig jaar unilateraal de termijnen waarbinnen het concern met toeleveranciers afrekent. Toebosch vindt dat afkeurenswaardig. “Zeker omdat het gros van de toeleveranciers volstrekt geen machtspositie heeft tegenover dat concern.” Ook de overheid is volgens Toebosch doorgaans een matig betaler met een sterke machtspositie.

Onder de huidige economische omstandigheden doen bedrijven er volgens hem goed aan om de relaties met hun afnemers goed te onderhouden en meer gebruik te maken van beloningen voor correcte betaling of boetes bij een te late afrekening. Ook helpt het vaak om afnemers in plaats van een groot bedrag, vaker een kleiner bedrag te laten betalen. Behalve een gedegen onderzoek op voorhand naar de betrouwbaarheid van een cliënt, is er tegen fraude weinig te beginnen. Toebosch maakte mee dat een Brits bedrijf het zelfde object door 25 verschillende leasemaatschappijen gelijktijdig had laten financieren. “Toch bleek dat bedrijf al meer dan 40 jaar te bestaan, zonder dat er ooit reden tot verdenking was.”

Het verhoogde debiteurenrisico leverde De Lage Landen over 1992 een 1,6 miljoen gulden hogere toevoeging aan de voorziening algemene bedrijfsrisico's (var) op, tot een bedrag van 26,2 miljoen gulden. Deze hogere toevoeging, hogere bedrijfskosten en verminderde rentebaten leidden tot een winstdaling van 23,8 miljoen gulden tot 20,1 miljoen gulden. Door de verscherpte concurrentie en krappere rentemarges vond aan de inkomstenkant een verschuiving plaats van rentebaten naar inkomsten uit provisie. Ook factoring-concurrent NMB-Heller verhoogde in 1992 de voorzieningen met 4 miljoen gulden tot 18,7 miljoen gulden, maar zag in tegenstelling tot De Lage Landen de winst wel stijgen tot bij 37 miljoen gulden.

Toebosch toont zich ontevreden over de resultaten van De Lage Landen. Hij had er op gerekend dat de investeringen in de buitenlandse activiteiten van de leasing- en factoringmaatschappij al in 1992 hun vruchten afwierpen. De vestigingen in Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Italië, leveren nu 25 procent van de activiteiten van De lage Landen. Door de tegenvallende conjunctuur is van een betere bijdrage aan de winst door het buitenland per saldo niets gekomen. Rond 1995 moet de helft van de activiteiten van De lage Landen uit het buitenland komen. “We streven op termijn naar een rendement op ons eigen vermogen van 15 procent,” zegt Toebosch. Om dat te bereiken zou de winst van De Lage Landen onder de huidige balansverhoudingen meer dan dubbel zo hoog moeten zijn.

Toebosch heeft zijn hoop gevestigt op de opkomst van het zogenoemde vendorleasing. In dit concept dragen een fabrikant en een leasemaatschappij in een gezamenlijke onderneming zorg voor een door de leasemaatschappij gefinancierde de afzet van produkten. De Lage Landen heeft op dit moment 24 van dergelijke samenwerkingsverbanden lopen, onder meer met de Britse landbouwmachinefabrikant Massey Ferguson en de computerbedrijven Digital en Unisys.

Om de bedrijfskosten terug te brengen zal De Lage Landen in de eerstkomende drie jaar het personeelsbestand terugbrengen van 500 naar 400 werknemers. De groei van de onderneming zorgt daarnaast voor 50 nieuwe arbeidsplaatsen, zodat per saldo een verlies van 50 banen resteert.