De universele rechten van de cultuur

Op sommige momenten en dat zijn niet de plezierigste besef je dat de universele rechten van de mens strijdig zijn met de universele rechten van de cultuur.

Mensen verdwijnen in de gruwelijkste zin van het woord zolang je voorrang verleent aan de rechten van de cultuur en culturen verdwijnen zolang je voorrang verleent aan de rechten van de mens. Je kunt natuurlijk volhouden dat mensen slechts bestaansrecht hebben voorzover hun existentie niet in strijd is met het belang en het voortbestaan van de cultuur waartoe zij behoren, maar dat zou je beroven van de mogelijkheid het onrecht wereldwijd te bestrijden. Onrecht zou dan een zaak van betrekkelijkheid zijn en ook een andere definitie vereisen. Dat kan nog tot vreemde situaties aanleiding geven: iemand die zich beroept op de universele rechten van de mens kan daarmee de authenticiteit van de cultuur waartoe hij behoort schaden en daarmee zijn lotgenoten onrecht aandoen. Wij zouden ons met die lotgenoten kunnen identificeren en dat schept weer heel andere verplichtingen dan die waaraan wij ons zijn gaan gewennen. En als wij ons vastleggen op de stelling dat culturen slechts ons respect verwerven voorzover daarin de universele rechten van de mens worden erkend, dan moeten wij aanvaarden dat wij als puntje bij paaltje komt geen respect hebben voor andere culturen. Bijgevolg kunnen wij in een moeite door erkennen dat een multiculturele samenleving niet bestaat en zeker niet onder alle omstandigheden is gewenst.

Ik ben er van overtuigd dat velen die mij tot hier gelezen hebben mij tot hier niet geloven, omdat het door mij geschetste dilemma ons of dwingt tot stilstand en isolationisme of tot een welgemoed imperialisme en dat lijkt beide onaanvaardbaar. Het is zelfbedrog te denken dat wij aan een keuze in dit dilemma kunnen ontkomen. Universeel geldende mensenrechten leiden, zeker wanneer zij in de toekomst nog gedetailleerder geformuleerd zullen worden, tot vernietiging van culturen en het behoud van culturen leidt tot het vernietigen van mensenrechten. Het gaat mij er niet om langs een smokkelroute weer eens de superioriteit van de Westerse beschaving te bepleiten. Ik ben er eerder van overtuigd, dat juist de Westerse beschaving dit dilemma heeft voortgebracht. Sterker nog het bestaat ook binnen onze cultuur. Het recente vertrek van bisschop Bär is daarvan een goede illustratie. Als wij respect willen opbrengen voor de subcultuur van het rooms-katholicisme aanvaarden wij zijn overhaast vertrek, ook al is dat strijdig met het algemeen gevoel dat niemand vanwege zijn seksuele geaardheid uit enige positie mag worden geweerd. Maar het is het één of het ander: we kunnen niet beide standpunten verenigen. En wat voor het bisdom Rotterdam geldt, geldt voor de hele wereld.

Hans Moll had in het Zaterdags Bijvoegsel van deze krant op 3 april een interessant vraaggesprek met de cultureel antropoloog Napoleon Chagnon die meer dan dertig jaar doorbracht bij de Yanomamo-indianen, die in volstrekt isolement leven in het regenwoud op de grens van Venezuela en Brazilië. Chagnon wordt onder etnografen niet alleen gewaardeerd om de studies die hij aan deze stam heeft gewijd maar ook om zijn vermogen zich in barre omstandigheden te handhaven. “(His) ability to survive... is nothing short of remarkable - a great tribute to his skill and courage.” De samenleving van de Yanomamo-indianen is in onze ogen wreed en gewelddadig. Moord, vrouwenroof, massale verkrachting, doodslag en verminking behoren tot de dagelijkse gang van zaken. Een man die zich niet gewelddadig toont is niet in tel. Vrouwen verwachten niet anders dan bij het minste en geringste ongenoegen dat zij bij hun echtgenoot opwekken, te worden afgeranseld. Het geweld is in beperkte mate geritualiseerd, er bestaat geen aandrang het uit te bannen. De Yanomamo-indiaan voldoet niet aan ons romantisch beeld van de nobele wilde die vreedzaam en in harmonie met de natuur leeft. Het opmerkelijke in het interview dat Hans Moll met Chagnon heeft is dat de laatste het zou betreuren als deze samenleving door contact met de Westerse cultuur zou verdwijnen, ook al bestaat zij uit "echte wilden'.

Respect voor deze cultuur zou volgens Chagnon in de eerste plaats gebaseerd moeten zijn op een esthetisch argument: een universele cultuur is saai. Voor het behoud van deze cultuur kan men deze indianen dus ook niet aan hun kop komen zeuren met de universele rechten van de mens. Een cultuur heeft haar eigen rechten. Daarbij komt natuurlijk nog dat de zegeningen van de moderne technologie die wij te bieden hebben, dubieus van aard zijn. Kettingzagen, missionarissen die hepatitis en mazelen brengen, buitenboordmotoren, helikopters en televisietoestellen om Goede tijden, slechte tijden te volgen. Het is een veel gehoord argument dat onze technologie andere culturen vernietigt. Ik vind dat in dit geval niet zo interessant. Interessanter is of wij een wrede cultuur willen laten voortbestaan eventueel met thuislating van ons technisch vernuft. Of zouden wij uit respect voor de cultuur elke bemoeienis met wat in onze ogen onmenselijk is achterwege moeten laten. Wat onbedwingbaar is, is onze wens (en niet alleen de onze) om te begrijpen en te verklaren waarom een andere cultuur is zoals zij is. Men kan wijzen op het sociobiologische nut van het mannelijk geweld. Gewelddadige mannen kunnen meer vrouwen krijgen en bevruchten. Marvin Harris, die ook een studie aan Yanomamo-indianen gewijd heeft, zij het niet gebaseerd op eigen veldonderzoek, verklaart de masculiene gewelddadigheid in deze maatschappij en vooral ook de opzettelijke creatie van schaarste aan vrouwen door het doden van vrouwelijke baby's, uit een tekort aan protenen in het dieet. Mannen moeten robuust en krachtdadig zijn om de ontberingen van de jacht te doorstaan. Alleen de sterksten zijn daartoe in staat en hun beloning bestaat uit seksuele dominantie. Door schaarste wordt seksualiteit fel begeerd. Alleen door het dieet van vruchten aan te vullen met het proteïnerijke vlees, overleeft de samenleving. Maar daarvoor was eerst een brutalisering noodzakelijk. Stel dat Harris gelijk heeft, dan zouden wij in alle bescheidenheid dit wetenschappelijke inzicht ter beschikking mogen stellen en volstaan met de leverantie van vlees, vis en zuivelprodukten. Wie daarop bevestigend antwoordt, moet beseffen dat hij daarmee iets authentieks wegneemt aan een cultuur. Ik zou er geen bezwaar tegen hebben, omdat ik los van de menselijke aspecten, het behoud van culturen zoals door Napoleon Chagnon gewild, een illusie acht. Een cultuur wordt gekenmerkt door haar vergankelijkheid.