De tijd kan nu niet weg; Zorgeloze bundel van Jan Eijkelboom

J. Eijkelboom: Hora incerta. Uitg. De Arbeiderspers, 52 blz. Prijs ƒ 29,90.

Hora incerta, zo heet de nieuwe bundel van J. Eijkelboom. De titel is ontleend aan de Latijnse wijsheid ”Mors certa hora incerta'. Letterlijk: dood zeker, uur onzeker. Minder letterlijk: dat wij sterven staat vast, maar we weten niet wanneer. Het is een tekst met grafschriftkwaliteit, geen mededeling om al te vrolijk van te worden, en toch is Hora incerta in zekere zin de meest zorgeloze bundel van de vijf die Eijkelboom sinds december 1979 publiceerde.

Het titelgedicht geeft al een verrassende variant op het motto. Het gaat niet over iemand die het onzekere uur van zijn dood voelt naderen, maar over een kind met slaapstoornissen. De kleine Jan Eijkelboom werd eens wakker en stond op, omdat hij dacht dat het ochtend was. Zo wandelde hij de kamer binnen, om er daar pas achter te komen dat hij zich had vergist: het was nog avond. ”Vreemd ook dat iedereen al was gekleed / terwijl de dag nog moest beginnen.' Kennelijk moest men nogal om het ventje lachen en kennelijk is de dichter dat nooit vergeten:

Hun bulderend gelach wees hem

terecht. Beschaamd moest hij terug naar bed.

Zijn moeder bracht hem troost en

melk, maar 't bleef hem bang en droef te

moede -

het sterven nagebootst.

Met de dood heeft deze herinnering weinig te maken (dan nog eerder met een opstanding uit de dood), maar in de laatste regel wordt toch een verbinding met de titel gelegd. De schaamte, angst en droefheid onderging de kleine Jan als een nagebootst sterven, wat wel een zwaar besluit is voor zo'n onschuldige anekdote. Maar misschien lees ik het vers niet luchtig genoeg en misschien moet het onzekere uur uit de titel veel ironischer worden opgevat: bijvoorbeeld als een toespeling op het feit dat kleine Jan nog geen klok kon kijken.

Ook in een ander gedicht worden lachen en sterven met elkaar in verband gebracht, maar dan is er geen ironische uitvlucht meer. ”Op de dag van je dood/ doet de komiek niet minder zijn best/ de zaal te vermaken' schrijft Eijkelboom, in een gedicht dat oorspronkelijk als een in memoriam voor Bob den Uyl was bedoeld. De strekking is duidelijk: het leven gaat door, ook op de dag van je dood. De regen zal blijven vallen, de zon zal blijven schijnen en zelfs de komiek zal gewoon zijn werk blijven doen - en reken maar niet dat de zaal er minder hard om zal lachen.

Het is niet anders, en er valt niets aan te doen. Het sympathieke is dat Eijkelboom de zaak helder onder ogen ziet en er geen sentimentele, diepzinnige of pretentieuze doekjes om windt. Ook niet als het gaat om wat vermoedelijk zijn zwakste plek is: het heimwee naar zijn jeugd. Afstand is bij zo'n onderwerp geboden. De tweede afdeling, waarin hij het meest verwijlt in zijn verleden, heet dan ook ”Op afstand' en om zich daarvan te verzekeren, schreef hij zijn jeugdgedichten ook nog eens in de hij-vorm: van zijn eerste herinnnering (aan ”een warme bloes van beige tweed/ met knopen van bruin leer') tot aan zijn eerste dichterlijke aanvechting. In zijn geboortehuis in Slikkerveer hoorde hij een uiteenvallende briket ritselen in het fornuis en dat bracht hem op het volgende beeld:

het klinkt als zilverpapier

dat terug tracht te komen

uit zijn verfrommeling.

Ik borg dat op voor later -

voor nu.

Zo kunnen wij nu, 55 jaar later, alsnog de geboorte van de dichter Eijkelboom nalezen. Deze regels vormen de overgang (aangegeven door het slotwoord nu) naar de derde en laatste afdeling ”Nu', waarin het op al even heldere en soepele wijze, maar dan in de ik-vorm, gaat over het heden: over de mooie aanblik van dansende ijsblokjes in het glas whisky van een ander bijvoorbeeld, of over een optreden van The Jack of Hearts in een voormalige katholieke kerk. Maar ook wordt er een voorschot genomen op wat er ooit, na die afdelingen over vroeger en nu, zal moeten volgen: de dag en het uur van de dood. Het meest ironisch gebeurt dat nog wel in een gedicht over een toch al aan het zicht onttrokken, achter een leeg ziekenhuis gelegen huisje, waarvan de zwarte spiegelramen in de loop der jaren geheel met klimop bedekt zijn. Het betreft hier een mortuarium.

Er valt in zo'n, aan de buitenkant volstrekt helder gedicht veel tegelijk te lezen: humor, maar ook welbewuste kortzichtigheid; angst voor de dood, maar evengoed een voorzichtige overwinning daarvan. Daar is Eijkelboom op uit: op veroverde eenvoud, op ongewone gewoonheid, gevangen in gedichten zonder moraal of effectbejag en zonder zich in vreemde formele bochten te wringen. De mooiste voorbeelden daarvan zijn te vinden in de eerste afdeling, een ”calendarium' van twaalf maandgedichten dat ondanks zijn rechtlijnige opzet (van januari tot en met december) dapper ”Tegen de tijd' is gedoopt. Het verzet tegen de tijd uit zich in allerlei vormen van vrijheid. De vrijheid om de bomen niet zoals Kloos te laten dorren in het laat seizoen, maar ze ook ”dor nog in het vroeg seizoen' te laten zijn. De maand mei hoeft hier niet met een nieuwe lente en een nieuw geluid te beginnen; het kan ook met ”de hangende blaadjes van een oude kastanje'. In november kan het vaker dan gemiddeld maandagmorgen zijn. En wie in een doodse aprilmaand aan zijn eigen tijd wil ontsnappen verzint er gewoon een eeuw bij, of een tijdperk, of anders maar een vijfde seizoen:

De tijd kan nu niet weg, blijft staan

in plassen of perst zich moeizaam

door de goot. Wie nu niet dood wil houdt zich dood

of laat zich door een droom

verplegen.

Verlangen blijft het noodseizoen

voor wie - waarom? - wil

overleven.

Verlangen als een noodseizoen, altijd achter de hand en altijd oproepbaar: in dat jaargetijde schrijft Eijkelboom zijn gedichten. De dood is er afwezig, onzekere uren zijn er niet en problemen evenmin: ”Eer men het antwoord weet/ is 't raadsel opgelost', zo besluit hij zijn reeks tegen de tijd.