CDA komt zichzelf keer op keer tegen

“Zo waarlijk helpe mij God almachtig”, sprak het aspirant-Tweede Kamerlid. Enkele ogenblikken later was D. Ramlal beëdigd en kon hij plaatsnemen tussen zijn partijgenoten van het CDA. Welke God, vroeg het RPF-Kamerlid Leerling zich af, want was Ramlal geen hindoe? Kan iemand die in een andere God gelooft wel namens het CDA optreden? Het bleek vorig jaar zomer de opmaat voor een serieuze rel binnen het CDA. Hindoes zijn welkom, want “het CDA is geen christelijke partij”, zei voorzitter Van Velzen. Een stroom verontwaardigde reacties van CDA-leden was het gevolg. Het CDA is “geen kerkelijke partij”, nuanceerde premier Lubbers enkele dagen later. Inmiddels was in het dagblad Trouw een brief verschenen van oud CDA-senator professor I.A. Diepenhorst (tevens minister van onderwijs in de kabinetten Cals en Zijlstra) waarin deze de zienswijze van Leerling geheel onderschreef: “Van islamieten, van hindoeïstische gelovigen, van aanhangers van niet christelijke religies, kan de verdediging van een evangelisch politiek program bezwaarlijk worden verwacht en een partij welke met zulk een program staat of valt, behoort zich door hen die fundamenteel tegenstelde opvattingen zijn toegedaan, niet te laten representeren.”

Het is duidelijk: wie over de grondslag van het CDA begint te praten, raakt een open zenuw. De jongste commotie rondom de open brief van bisschop Bomers, waarin de katholieke leider van het bisdom Haarlem zijn lidmaatschap van het CDA opzegt, is hiervan wederom een bevestiging. Bomers heeft het CDA vaarwel gezegd onder andere omdat hij zich niet kan verenigen met het standpunt dat de partij heeft ingenomen tijdens de debatten over euthanasie en de wet gelijke behandeling. De "burgemeester-in-oorlogstijd' benadering van de partij (politici moeten vuile handen durven maken) vond in zijn ogen geen genade. “Blijkbaar is er heel wat van de nihilistische filosofie van Sartre en existentialistische consorten in het gedachtengoed van veel christenen binnengesijpeld”, aldus Bomers.

De bisschop weet niet hoe de verhoudingen liggen is het verweer van het CDA. Om met de voorzitter van het wetenschappelijk instituut voor het CDA, J. van Gennip te spreken: het CDA is niet ondergeschikt aan het kerkelijk leergezag, staat open voor het hele Nederlandse volk, maar heeft wel bijzondere belangstelling voor de kerkelijke interpretatie van de christelijke uitgangspunten. Anders gezegd: het CDA onderhoudt met de bisschoppen graag nauw contact, maar de partij de wet voorschrijven kunnen ze niet.

Andersom zou dat dus ook niet moeten, maar weer was het partijvoorzitter Van Velzen die verwarring wist te zaaien door het afgelopen weekeinde voor de radio zijn twijfels uit te spreken over de wijze waarop sommige bischoppen leiding geven aan de Nederlandse kerkprovincie. “Ik vind dat de situatie die nu al zo'n dertig jaar aan de gang is in katholiek Nederland niet zo erg lang meer mag voortduren”. En daar waren ze weer: de telefoontjes van verontruste CDA-leden. Nu is al eerder in het CDA over Van Velzen opgemerkt dat zijn opmerkingen over de identiteit van de partij hetzelfde effect hebben als het opschudden van een dekbed in een gezelschap astmatici, maar de vraag is of het alleen aan Van Velzen ligt. De partij worstelt werkelijk met de grondslag en komt zichzelf daarom keer op keer tegen.

Het evangelie als richtsnoer, dat was in het begin van de jaren zeventig dè discussie tussen KVP, CHU en ARP tijdens de fusiebesprekingen. De eerste twee partijen behoorden tot de rekkelijken, terwijl de ARP onder leiding van Aantjes het precieze standpunt verkondigde. Wie de ontstaansgeschiedenis van het CDA nog eens terugleest in de vorig jaar verschenen boeken van Ten Napel en Verkuil, denkt in eerste instantie in een krankzinnig dispuut verzeild te raken. Er was dan uiteindelijk de compromistekst dat het CDA het evangelie als richtsnoer voor het politiek handelen aanvaardde, maar zo luidde het volgende geschilpunt, diende een CDA politicus zelf het evangelie ook als richtsnoer te aanvaarden? Moet de vertegenwoordiger van het CDA uitdragen wat de partij “bezielt” of wat de partij “beweegt”. Is het dat het CDA zowel een christelijke als een christen-democratische organisatie “wil zijn”, of moest gekozen worden voor de uitspraak dat het CDA zowel een christelijke als een christen-democratische partij “is”.

Ook toen al ontstond er ophef over de uitspraak - in dit geval van de toenmalige KVP-leider Andriessen - dat het CDA geen christelijke partij was. Zijn verdediging luidde dat de aanhalingstekens bij het woord christelijk waren weggevallen, want hij had slechts bedoeld dat het CDA wel de “intentie”, maar niet de “pretentie” had om een christelijke partij te zijn. Later was er de erkenning van de bijbel als meetlat, maar dat betekende weer niet dat CDA'ers elkaar de maat moesten nemen. Het was allemaal terug te voeren op de angst bij de ARP en in het bijzonder bij Aantjes dat het CDA zonder vaste beginselen een vrijblijvende, rechtse partij zou worden, die het slechts om de macht te doen was.

Dat twintig jaar later de discussie terugkeert, zij het nu onder aanvoering van het conservatieve deel van de katholieke kerk, toont aan dat het CDA wel degelijk met een probleem zit. De discussie over het al dan niet christelijke karakter van de partij mag er dan wel één voor de fijnproevers zijn, zoals voorzitter Van Velzen vorige maand op een symposium verklaarde, hij is natuurlijk fundamenteel. Het komt er ontdaan van alle "bezweringsformules' in wezen toch op neer of het CDA de grote open volkspartij is die onder aanvoering van Lubbers Nederland uit het economisch moeras wist te trekken, of dat het de partij wordt van Hirsch Ballin waarin nadrukkelijk geappelleerd wordt aan op de bijbel geïnspireerde waarden en normen.

Er zit geen streepje licht tussen de opvattingen van die twee, zal ongetwijfeld de officiële lezing van het CDA zijn. Maar het gaat dan ook niet om de ontmoeting op zondag, maar om het praktisch handelen. Want op dat laatste punt wordt een partij door het almaar groeiende zwevende deel van het electoraat uiteindelijk beoordeeld. En dan is er wel degelijk verschil tussen de zakelijke benadering van een politcus als Lubbers en de moraliserende Hirsch Ballin. “Een knagende twijfel aan de eigen missie en gêne om een moreel appel op de bevolking te doen, zijn misplaatst”, sprak de minister van justitie vorig jaar september in De Balie, toen hij een pleidooi hield voor politici die met overtuiging de publieke zaak willen dienen zonder eerst alle mogelijke electorale verschuivingen in te schatten.

Het is een gedurfde keuze in een tijdsgewricht waar alle grote partijen in het midden opereren. Voor de kiezer is het dan de afweging tussen een middenpartij met boodschap en een middenpartij zonder boodschap. Voor de niet-christelijke kiezer ligt in dat geval de keuze voor de hand. Dan wordt het dus niet het CDA. Zijn huidige machtsbasis kan het CDA alleen behouden door het gekunstelde open karakter van de partij te handhaven. Het betekent echter een constant innerlijk gevecht met de principes. De scheiding tussen kerk en staat is nog wel uit te leggen. Maar met de scheiding tussen levensovertuiging en politiek handelen ligt het al een stuk moeilijker. Dat heeft alle ophef van de afgelopen twee weken weer eens haarfijn aangetoond. Bij de totstandkoming van het CDA was er een "agreement to disagree'. Het is er nog steeds.

Wie over de grondslag begint te praten raakt een open zenuw

Het was allemaal terug te voeren op de angst bij de ARP en bij Aantjes