Boek De Toverberg van Thomas Mann is mooier dan film

De toverberg, Nederland 3, 19.59-21.55 uur.

Het is weer zo'n duidelijk geval van "maar het boek is toch mooier'. Zo duidelijk dat zelfs wie De toverberg van Thomas Mann niet gelezen heeft toch wel zal willen beamen dat dat mooier is - zo onvoorstelbaar houterig, gekunsteld en gemaakt is de Duits-Frans-Italiaanse televisiebewerking van Hans W. Geissendörfer. Hans Castorp, de hoofdpersoon - een onuitstaanbare melkmuil in deze serie, gespeeld door Christoph Eichorn - gaat zijn voor tbc kurende neef in Davos opzoeken. Hij raakt gefascineerd door het vreemde, vrije, zelfs in zijn ogen losbandige leven dat de patiënten "hierboven' lijden, door de regelmaat en de slaperigheid van het sanatoriumleven en bovenal door de betoverende Madame Chauchat, een Russin met "schuine Kirgiezische ogen'.

Na een verblijf van drie weken blijkt Hans Castorp zelf ook ziek te zijn en mag hij van de geneesheer-directeur niet vertrekken. Dat wil hij ook niet meer. Want hij wil de hele tijd naar de zwaar opgedirkte Claudia Chauchat (Marie-France Pisier) staren die voortdurende met haar heupen zwaait en veelbetekenend met half open mond in de verte blikt, waarop de mond van Castorp ook openvalt en hij "Mein Gott' kreunt.

Niets maar dan ook niets in deze bewerking is onnadrukkelijk. Wordt er in het boek met het cynisme van de zieke gesproken over lijken, in beeld komen de doodskisten al na twee minuten van de bergen dalen. Hup, valt die mond van Castorp weer open. Ja, dat is niet niks, de dood. En een minuut later rent een spiernaakte dame zijn kamer binnen, achtervolgd door een kirrende man: thema twee, "de wellust'. Zo zijn liefde en dood al meteen onnavolgbaar met elkaar verbonden.

Met heimwee denkt de lezer terug aan de verslavende slaperigheid van Manns boek, aan de lichte rilling van koorts die daar over alles heenhangt, aan de fascinerende betogen van de eveneens zieke maar daardoor allerminst geestelijk aangetaste Settembrini. Ooit antwoordde de schrijver Alfred Kossmann op de vraag naar zijn favoriete personage uit de literatuur: Settembrini. Hij zag hem voor zich: “Een man van mooie redeneringen in mooie woorden. Een dwaas, maar zo integer en charmant.” Maar ook Settembrini (de Italiaan Flavio Bucci) is tot in het karikaturale uitvergroot en een ongevaarlijk soort gek geworden. Tot overmaat van ramp is hij slordig nagesynchroniseerd, wat de doodsteek is voor zijn personage.

Iedereen die tbc heeft lijkt trouwens wel van zijn verstand beroofd, de patiënten gedragen zich als krankzinnigen, ze schreeuwen hysterisch (“nee, nee, ik wil hier niet weg, hier is mijn thuis!”) of lachen onophoudelijk, en wie een hoestaanval krijgt, ziet graag dat het hele sanatorium daarvan meegeniet. Uit deze verfilming stijgt een hels kabaal op - hoewel, was het maar hels, dan had het nog sfeer.

Is er dan niets goed aan? Er is een glimp te zien van het sanatoriumleven aan het begin van deze eeuw, de ouderwetse röntgenapparatuur, enkele mooie beschouwende zinnen van Mann die door een verteller buiten beeld worden voorgelezen - dat is allemaal wel aardig. En wellicht zet deze bewerking aan tot herlezen, dat zou dan een prettige bijkomstigheid zijn.