Bevolking GOS ziet weinig in vrije markt; Oosteuropeanen kopen weer meer produkten van eigen makelij

ROTTERDAM, 16 APRIL. De Rusissche president Boris Jeltsin mag dan met steun van zijn Amerikaanse vriend Bill Clinton streven naar een vrijemarkt economie, zijn onderdanen hebben daar in meerderheid andere ideeën over. Het vrijemarkt-concept scoort daarentegen veel beter onder de bewoners van de voormalige Sovjetsatellieten in Oost-Europa.

Dat blijkt uit een “Euro-barometer survey” die de Europese Commissie liet uitvoeren door Gallup Poll en waarbij eind vorig jaar 18.500 mensen in 18 landen in Centraal- en Oost-Europa werden ondervraagd.

Op de vraag of de vrije markteconomie goed of slecht is voor hun toekomst en die van hun landen, antwoordde 45% van de ondervraagden in de GOS-staten met slecht, 36% met goed, terwijl 19% geen mening had. Maar in de naburige Oosteuropese landen sprak 57% zich goedkeurend uit over de geneugten van de vrije markt, zag 25% er niets in en gaf 18% geen mening.

“De mensen in het GOS zijn depressief”, aldus George Cunningham, leider van het EG Gallup onderzoek. Zelfs als er genoeg voedsel in de winkels ligt, kunnen velen het zich niet meer veroorloven, omdat de prijzen te hoog zijn. De mensen kijken terug naar het oude systeem en vergelijken het met de chaos van vandaag”. En hoe! Op de vraag of zij “met alles rekening houdend” beter af zijn onder het oude of onder het nieuwe systeem, prefereerden de GOS-bewoners het oude systeem met een ruime marge van 59 tegen 19%.

In de naburige Oosteuropese landen won de nieuwe orde het echter van de oude, zij het met een magere marge van 41 tegen 36 procent. “Dit resultaat in de GOS-naties betekent niet dat de meeste mensen daar terugwillen naar het communisme”, commentariëren de opiniepeilers. “Zij constateren eenvoudig weg dat de huidige overgangsfase van een commando- naar een vrije markteconomie moeilijker is dan de oude situatie waarin er tekorten waren aan goederen, maar die na geduldig wachten tenminste konden worden gekocht.”

Gevraagd om de belangrijkste toekomstige partner van hun land aan te geven, kozen alle Oosteuropeanen buiten de Russische Federatie het meest voor de Europese Gemeenschap (26%), gevolgd door Rusland (19 procent) en de Verenigde Staten (16 procent). De Russen zelf kozen voor de Verenigde Staten (25%), de andere GOS-naties (23%), terwijl de EG op afstand derde werd met 14%.

De meeste niet-GOS-landen zien de EG als een redelijke handelspartner, maar wel met een nauwere marge dan bij een vroegere opiniepeiling. “Juist nu de overgangsperiode voor velen in Oost-Europa pijnlijk is, moeten wij het geloof in de vrije markteconomie in de hele regio stimuleren”, menen de opstellers van het Eurobarometer survey. “Dat kan door het openstellen van onze markten voor die landen. Dat zal hen zeker helpen bij het overwinnen van de huidige problemen.”

Dat het communistische verleden met het verstrijken van de tijd en temidden van de hedendaagse problemen minder stuitend kan lijken, valt mogelijk ook te destilleren uit een marktonderzoek dat het Bureau A.C. Nielsen in opdracht van de Wall Street Journal uitvoerde bij 1740 detailhandelaren in voormalig Oost-Duitsland, Polen en Hongarije. Daaruit blijkt dat de vaak blinde voorkeur voor Westerse produkten, die direct na de ontbinding van het Oostblok viel te bespeuren, op een aantal terreinen verdwijnt. Anders gezegd: nogal wat traditionele en lokale produkten vieren een come-back.

“De verschuiving is geleidelijk en omvat lang niet alle produkten”, aldus A.C. Nielsen. “De teneur is echter duidelijk met name in het voormalige Oost-Duitsland.” Daar beheersten eind 1992 lokaal geproduceerde sigaretten bijvoorbeeld weer 68% van de markt, tegen 60% een jaar tevoren. Ook plaatselijk vervaardigde huidcrèmes, kazen, koekjes en wijnen heroverden terrein op Westerse produkten. “Deels door lagere prijzen, deels door verbeterde kwaliteit, deels door nostalgie of speciale smaak keren heel wat Oosteuropeanen terug naar hun wortels.”

Het plaatselijke onderzoeksbureau IM Leipzig kwam al eerder tot een soortgelijke waarneming. Eind 1990 gaf nog 73 porcent van de ondervraagden de voorkeur aan Westerse produkten en vorig jaar nog maar 51 procent. Volgens A.C. Nielsen zijn er in Polen soortgelijke verschuivingen, maar blijken zij in een land als Hongarije nog minimaal.

Er mag dezer dagen dan veel worden gedelibereerd over het scheppen van vitale markteconomieën in de voormalige communistische staten van Europa, het economische potentieel van een land als China is veel groter. Dat meldde vorige maand althans het World Economic Forum te Geneve en het International Institute of Management Development in Lausanne in een gezamenlijk rapport over de marktmogelijkheden in 19 voormalige communistische staten in Oost-Europa en Azië, aangevuld met India. Deze 20 landen werden beoordeeld naar acht maatstaven - binnenlandse economische kracht, internationalisatie, regering, financiën, infrastructuur, wetenschap en techniek, management en “mensen”.

China kwam als eerste uit de bus op de voet gevolgd door Tsjechoslowakije en Slovenië. India scoorde ook redelijk en zat nog net vóórRusland. “China's economische gezondheid wordt weerspiegeld door zijn buitengewone exportgroei die het land binnen afzienbare tijd een plaats zal bezorgen in de top tien van handelsnaties”, aldus het rapport.

“In tegenstelling tot Rusland wordt China's overgang naar de markteconomie niet bemoeilijkt door etnische spanningen en politieke verandering, zo melden de rapporteurs verder. In 1990, het laatste jaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn, streek China al 3,5 miljard dollar aan buitenlandse investeringen op, meer dan de andere 19 landen samen.

Chinese managers blijken ook uiterst optimistisch over de Chinese economie. Op de vraag in hoeverre economische hervorming in China succesvol wordt doorgevoerd, gaven zij hun land het hoogste cijfer, een tien. De Tsjechoslowaakse zakenlieden kwamen vorig jaar kort voor de splitsing van hun land met een matig cijfer van 5,8 uit de bus. Toch scoort China niet altijd even goed. Het analfabetisme is er met 22% veel hoger dan in Oost-Europa. En zijn er in China slechts 13 telefoons per 1000 bewoners, in Rusland ligt dat cijfer op 163 en in Slovenië op 329.