Beuzelpraat

Toute nation a le gouvernement qu'elle mérite. Aan Joseph-Marie Maistre (1753-1821), de Franse politicus en socioloog avant la lettre, bestrijder van de Verlichting en de Revolutie, wordt deze zeer wijze uitspraak toegeschreven.

Maistres uitgangspunt was dat het overheidsgezag absoluut is en noodzakelijk voor de stabiliteit van de samenleving. Een zeker cultuurpessimisme klinkt in zijn uitspraak door. Geeft men daaraan een wending die Maistre zeker niet voor zijn rekening had willen nemen, dan kan men daarin ook een oproep lezen aan de burgers om niet bij de pakken neer te zitten maar enige inspanning te leveren om de overheidsinstellingen zo te laten functioneren dat het individuele welzijn tot zijn recht komt.

Wie zeurt over de WAO, de milieuwetgeving of de chaos in het onderwijs - om eens een paar onderwerpen te noemen - moet zich realiseren dat alles zo is omdat wij met elkaar niets beters hebben kunnen bedenken. Wie klaagt dat de ministers en hun ambtenaren sloom, ondeskundig en pedant zijn - wat af en toe vast wel waar is - moet bedenken dat wij met elkaar geen betere bestuurders hebben kunnen vinden.

Wat voor een regering geldt, is in gelijke mate van toepassing op de rechtsbedeling door de overheid. De burgers krijgen het recht dat zij verdienen. Dat wil zeggen: men kan van de rechter niet verwachten dat hij veel beter recht doet dan hem door de wetgever wordt aangereikt en hem in het proces door de rechtzoekenden wordt voorgehouden.

Dit laatste thema - wat houden wij de rechter voor? - is het thema van de advocatuur. Het zijn de advocaten die de processtukken opstellen en de zaak voor hun cliënt bepleiten. Wat zij opschrijven en zeggen is voor de rechter de basis waarop hij beslist.

De advocaat neemt dus een sleutelpositie in en dat legt op hem een zware verantwoordelijkheid. Ten minste twee dingen moet hij kunnen. In de eerste plaats moet hij zo goed thuis zijn in het recht dat hij een hem voorgelegd probleem met enige trefzekerheid in een juridische context kan plaatsen. Vervolgens moet hij, vanuit die context, het standpunt van zijn cliënt met enige overtuigingskracht aan de rechter kunnen overbrengen. Twisten kan men over de vraag wat het belangrijkst is: de juridische bekwaamheid of het oratorisch talent. Dat is overigens een oude vraag, die al speelde bij de Romeinen. De deskundige iurisconsultus en de met redenaarstalent begaafde orator streden om de voorrang. Deskundigheid leidt op den duur tot verstarring. Enig redenaarstalent is nodig om de rechter op nieuwe, vooruitstrevende ideeën te brengen. Van de grote orator Cicero is bekend dat hij met enig dédain op de iurisconsulti neerkeek.

Zeker is dat een minimum aan deskundigheid vereist is. De rechter die knullige stukken voor zich krijgt zal een magere uitspraak doen. De uitspraak is openbaar en staat bloot aan kritiek. De kritiek is soms gerechtvaardigd maar dan moet u rekening houden met wat ik zojuist zei: de rechter doet uitspraak op basis van de aan hem voorgelegde stukken en wat daaraan bij pleidooi wordt toegevoegd.

Een dilemma is dan nog dat de cliënt heel andere maatstaven aanlegt. Of de advocaat deskundig is kan hij meestal niet beoordelen. Hij verlangt in de eerste plaats van zijn advocaat dat deze de rechter en de wederpartij eens flink de waarheid zegt. Als hij dan ondanks alle grootspraak van zijn advocaat de zaak verliest, zal hij de advocaat van de wederpartij "die leugens heeft verkocht' en de rechter "die er niets van begrepen heeft' de schuld geven. Het is verleidelijk voor de advocaat, die door onkunde verloren heeft, dit maar zo te laten.

De wet geeft de rechter de bevoegdheid om advocaten die hun taak ernstig verwaarlozen in hun eigen beurs te treffen. Hij kan bepalen dat de advocaat de kosten van de procedure geheel of gedeeltelijk moet betalen. Gelukkig wordt van deze mogelijkheid zelden gebruik gemaakt. Niet de rechter maar de Orde van Advocaten behoort in dit opzicht een beleid te voeren. Dat gebeurt ook, via de gedragsregels en het tuchtrecht, en via allerlei andere maatregelen die beogen de kwaliteit van de advocatuur op peil te houden.

Uit de jurisprudentie van de burgerlijke rechter haal ik een geval waarin de rechtbank onomwonden uitsprak dat het betoog van de advocaat neerkwam op "beuzelpraat'. En op beuzelpraat, meende de rechtbank, hoefde zij niet in te gaan. De advocaat werd vervolgens veroordeeld een deel van de kosten uit eigen beurs te betalen.

Ik moet erbij zeggen dat dit een zaak van 72 jaar geleden is. We moeten maar aannemen dat zoiets niet meer voorkomt.