Zeer

Ik heb een zere pols en dat hindert me, met een zere pols kan ik niet goed nadenken.

De zon staat op doorbreken. In het water van de Oude Rijn steekt iets groens, het schuwe groen van half april. Uit onbegrepen diepten klimt een blad naar het licht. Het is als een hoorntje opgerold en ontvouwt zich langzaam aan de oppervlakte. Als het goed is wordt hier ruimte gemaakt voor een waterlelie.

Uit de diepte van je hoofd stijgen losse woorden op, halve zinnen, hele zinnen zelfs. Wat ze waard zijn moet nog blijken. In dit geval: als ik begin te schrijven, als ze op papier verschijnen. Dan wordt er gewikt en gewogen, dan worden invallen getoetst aan het denken. En dan stuit ik op mijn zere pols. Een lamme vermoeidheid, nu en dan een steek.

Nu beschik ik over een brede leren polsband om het gewricht tot rust te brengen. Deze band staat me bespottelijk. Deze band hoort aan de pols van een man die het leven bekijkt vanaf een 1100 cc motorrijwiel. Zo'n man ben ik niet en zo'n pols is het al helemaal niet, ik heb een pols van niks. Wie een zware, mannelijke pols wenst, moet bij Maarten 't Hart zijn.

Maar ik doe het wel, die band aan mijn pols, want ik wil zo gauw mogelijk weer een helder hoofd. Ik bedoel, je kijkt weleens naar het Journaal en dan zie je een wereld in de greep van zere polsen.