Wiedergutmachung beslist over het aanzien van Japan

De halsstarrigheid waarmee de Japanse regering volhardt in haar standpunt dat de tienduizenden Aziatische vrouwen die tijdens de Tweede Wereldoorlog "werkten' in Japanse militaire bordelen dit deden op basis van vrijwilligheid, ondervindt nu op het hoogste internationale niveau ernstige kritiek. De kwestie wordt onderzocht door de Verenigde Naties, het Internationale Comité van Juristen en een aantal eminente internationale rechtsgeleerden.

Japanse historici schatten dat ongeveer tweehonderdduizend Aziatische, voor het merendeel Koreaanse vrouwen, werden gedwongen als "vrouwen van gerief' te fungeren voor de Japanse troepen. Maar de kwestie is niet langer een particuliere aangelegenheid tussen Seoul en Tokio, die in de rest van de wereld nauwelijks opzien baart. Het is een vuurproef geworden voor de internationale aanzien en ambities van Japan.

Hoe zal de Japanse regering reageren op de eisen van de Verenigde Naties? Hoe zullen de Japanse rechters beslissen over de groeiende hoeveelheid zaken die zijn aanhangig gemaakt door slachtoffers uit verschillende Aziatische landen? Is Japan bereid de waarheid over het verleden onder ogen te zien en te erkennen dat grote aantallen vrouwen werden gedwongen zich aan de militairen te onderwerpen?

Het probleem waar Japan voor staat met zijn volharding dat de vrouwen vrijwilligsters waren is dat een toenemend aantal vrouwen naar voren treedt en publiekelijk spreekt over de ervaringen van destijds.

Kortgeleden hield ik een vraaggesprek met een Chinese vrouw in Kuala Lumpur die op vijftienjarige leeftijd, in februari 1942, voor de ogen van haar ouders en broer door Japanse militairen werd verkracht en vervolgens voor de duur van de oorlog onder dwang terecht kwam in het netwerk van militaire bordelen.

Niet alle "vrouwen van gerief' waren van Aziatische afkomst. Ongeveer twaalf Nederlandse vrouwen die in Azië door de Japanners waren gevangen genomen en in bordelen werden gezet, hebben verslag gedaan van hun ervaringen. Dit was geen kwestie van ongedisciplineerde troepenmachten die zich schuldig maakten aan willekeurige verkrachtingen, zoals in meer oorlogen gebeurt. Tijdens het Japanse bewind bestond er een doordacht en uiterst nauwkeurig gereguleerd systeem.

Een kleine groep van vasthoudende Japanse advocaten en wetenschappers heeft er voor gezorgd dat het een internationale kwestie is geworden. De wetenschappers blijven belastend, op documenten berustend, bewijsmateriaal uit het verleden opdiepen.

Niet bekend

Desondanks vormde een openbare hoorzitting die december jongstleden in opdracht van de Verenigde Naties werd gehouden, een belangrijk keerpunt. De hoorzittingen werden bijgewoond door Theo van Boven, een Nederlandse hoogleraar in de rechtsgeleerdheid, die de speciale rapporteur is van deVN-mensenrechtencommissie. Zijn rapportage aan de Verenigde Naties over de vrouwen zal in augustus ter tafel komen en naar verwachting een substantiële bijdrage leveren aan de toenemende internationale druk op Japan.

Op 2 april kreeg de kwestie een nieuwe impuls toen achttien Filippijnse vrouwen de Japanse regering juridisch aansprakelijk stelden. Iedere vrouw eist 160.000 dollar schadevergoeding. Kort daarop deed een in Japan woonachtige Koreaanse vrouw hetzelfde. Zij eiste geen financiële compensatie, maar een officiële verontschuldiging van de Japanse regering.

Een verontschuldiging met de daarbij behorende erkenning van schuld is niet hetgeen Tokio wil aanbieden. In plaats daarvan overweegt het bij wijze van compensatie een omvangrijk fonds beschikbaar te stellen voor nog in leven zijnde slachtoffers, daarmee de schuldvraag ontlopend. Maar de zwijgzaamheid van de vrouwen, de advocaten en de publieke opinie kan niet worden afgekocht.

Een andere consequentie waar Tokio voor vreest is dat Japan over één kam zal worden geschoren met de Servische militairen die Bosnische vrouwen hebben verkracht. Een VN-commissie die zich heeft gebogen over de oorlogsverkrachtingen kritiseerde eerder dit jaar de verkrachtingen in Bosnië en deed een voorstel om de schuldigen te berechten als oorlogsmisdadiger. Een hieropvolgende VN-resolutie bekrachtigde het uitgangspunt dat georganiseerde verkrachting een oorlogsmisdaad is. Er werd nog specifiek bij vermeld dat dit niet alleen gold voor misdaden in het voormalig Joegoslavië, maar ook voor de kwestie van de "vrouwen van gerief' uit de Tweede Wereldoorlog.

Na bestudering van de hoeveelheid bewijsmateriaal, zei John Humphrey, de voormalig directeur van de afdeling mensenrechten van de VN, dat hij ervan overtuigd is dat de Japanse regering "uiteindelijk' de slachtoffers van deze misdaden zal compenseren. En hij voegde eraan toe: “Hoe eerder dit gebeurt, hoe beter het is voor het imago van Japan in het buitenland”.

Tokio mag blijven beweren dat de vrouwen vrijwilligsters waren, maar zolang het daarmee doorgaat zal de rest van de wereld zich afvragen of het morele gehalte van Japan even sterk is als zijn economische spierkracht.

© International Herald Tribune.