WETENSCHAPSBUDGET

In "Wetenschapsbudget in dienst van het bedrijfsleven' leverden W.P. Gerritsen, H.M. Jolles en J.R.T.M. Peters op de opiniepagina van 6 april kritiek op het plan van minister Ritzen om het budget voor universitair onderzoek over de universiteiten te verdelen op grond van maatschappelijke overwegingen. Hun kritiek snijdt hout. De auteurs vermelden dat de Vaste Commissie van de Tweede Kamer voor het Wetenschapsbeleid op 1 april over het plan van de minister vergaderde, maar niet wat de uitkomst was.

Welnu, de Kamer heeft het idee van verkenningen van wetenschapsgebieden toegejuicht, maar de commissieleden protesteerden fel tegen het plan van de minister om na deze verkenningen prioriteiten te stellen en deze vervolgens in de budgetten van de universiteiten tot uitdrukking te brengen. De minister heeft moeten toezeggen deze wens van de Kamercommissie op te nemen in de Algemene Maatregel van Bestuur waarin de bekostiging van het universitair onderzoek wordt geregeld.

Gerritsen c.s. kunnen dus tevreden zijn. Maar de vraag blijft hoe nou dat onderzoekbudget over de universiteiten moet worden verdeeld. Onlangs bracht de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) hierover advies uit. De raad stelt daarin dat de minister met zijn prioriteiten naar de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) kan gaan, want NWO is als financier van kwalitatief goed onderzoek bij uitstek in staat accentverschillen in het onderzoeklandschap aan te brengen. Niet al het geld zal natuurlijk via NWO moeten worden verdeeld. Het merendeel zal volgens de AWT op basis van output moeten gebeuren. Als graadmeter hiervoor heeft de raad het aantal gepromoveerden en het aantal ontwerpers voorgesteld.