Vogels veranderen hun trekgedrag door klimaatverandering

Een opvallend aantal vogelsoorten vertoont de laatste tientallen jaren veranderingen in het trekgedrag.

Ook zijn er soorten die hun verspreidingsgebied naar het noorden verleggen. Kieviten broeden sinds de jaren '60 in N-Finland. De Europese kanarie, die rond 1800 alleen in het Middellandse zee-gebied voorkwam, verplaatste zijn broedgebied sinds het midden van de jaren twintig naar Midden- en Noordwest-Europa. De kramsvogel, een fors soort lijster die hier vroeger alleen 's winters in groepen in de duinen en weilanden voorkwam, broedt sinds de jaren vijftig op Groenland (na 1974 werd deze lijster in Nederland ook broedvogel).

Dertig jaar geleden moest je een flink eind ten zuiden van Parijs zijn om een orpheusspotvogel te horen. Dit is een onopvallende zangvogel die lijkt op de hier inheemse spotvogel. In 1990 broedde er een paartje in de Flevopolder. In Wallonië is het al een regelmatige broedvogel. De vogel rukt op naar Centraal Europa. Niet alle verschuivingen zijn van noord naar zuid. De buidelmees en de roodmus broedden omstreeks 1960 in Oost Europa, maar worden nu gerekend tot de broedvogelbevolking van Nederland en een groot deel van Midden Europa.

Onderzoekers van het Duitse Max Planck Instituut voor gedragsoecologie (tevens vogelringstation voor Zuid Duitsland en Oostenrijk) leggen verband tussen deze gedragsveranderingen en temperatuursverhoging. Het verschil in de gemiddelde temperatuur in Centraal Europa tussen de periode -1944 en 1945-1988 is +0,4ß8C.

Bij diverse zangvogelsoorten, zoals het zwartkopje, blijft een deel van de populatie steeds dichter bij hun nest in plaats van ver weg te trekken. Zo ontdekten ornithologen in Baden-Württemberg dat 19 uit totaal 28 soorten trekvogels (68%), minder geneigd zijn om naar hun winterkwartier in het zuiden te trekken dan 14 jaar geleden.

Uit onderzoek in Skandinavië is gebleken dat het gedurende zachte winters loont om in de buurt te blijven. Vogels die goed gevoed de winter doorkomen en snel in het broedgebied aan de slag gaan om voor hun kroost te zorgen, zijn in het voordeel. Hun trekkende soortgenoten, die eerst een lange terugtocht maken, komen later en zijn bovendien uitgeput als ze in het broedgebied arriveren. Eén hele strenge winter, of een reeks van koude winters kan dit effect snel te niet doen. De trekvogels kunnen dan de beste plekjes innemen omdat hun concurrenten zijn doodgevroren. Een typisch voorbeeld van natuurlijke selectie dat is aangetoond bij goudhaantjes in Skandinavië.

Uit dit alles blijkt dat vogels gemakkelijk hun gedrag aanpassen aan het broeikasaffect. Vanuit evolutionair perspectief is het geen eigenaardig gedrag. De trekdrang van vogels ontwikkelde zich na het aflopen van de laatste IJstijd zo'n 15 000 jaar geleden. Vogelpopulaties waarin het trekgedrag niet homogeen verdeeld is, doen aan risicospreiding en zijn altijd in het voordeel ten opzichte van populaties waarbij het gedrag verstard is.