'Syrie-eerst' is uitgangspunt van Clintons Midden-Oosten politiek

Er is geen punt waarop Bill Clinton verder afwijkt van het buitenlands beleid van George Bush' dan dat voor het Midden-Oosten. Mogelijk zal dat uiteindelijk gunstig blijken, maar voorlopig lijkt de president, die heeft gezegd een "gerichte gooi' naar de vrede te doen, zijn doel op geen stukken na te raken.

Gemeten naar het resultaat had president Bush de juiste formule: streng maar rechtvaardig zijn tegen zowel Israel als de Arabieren en assertief optreden om op alle fronten te zaak aan de gang te houden. Zo wisten hij en zijn minister van buitenlandse zaken James Baker - overal waar dat belangrijk is - het publiek te overtuigen van het nut van onderhandelen en brachten ze breed georiënteerde Arabisch-Israelische vredesbesprekingen op gang.

Wat stijl betreft heeft Clinton, zoals hij had beloofd, de staalharde (en voor veel Israeliërs enerverende), onpartijdige afstandelijkheid jegens Israel ingeruild voor een openbare omhelzing. Even heeft hij daarmee de schrik weggenomen die de Israeliërs telkens bevangt als de Verenigde Staten ingrijpen in hun lot. Clintons retoriek is warm, hij legt de nadruk op punten van samenwerking in de onderlinge relatie en ook de hulp stroomt, zelfs in deze tijden van versobering, vrijelijk toe.

Deze week heeft Clinton zelfs de bezoekende president van Egypte Hosni Mubarak gebruskeerd toen die hem verzocht aan te dringen op nog een “kleine stap” van Israel in een (voor Arabieren) brandende kwestie: de “onmiddellijke” terugkeer van de gedeporteerde Palestijnen die is gelast door de Verenigde Naties. Israel heeft wel "genoeg' gedaan om de Palestijnen op 20 april weer rond de onderhandelingstafel te krijgen, zei president Clinton. De aangeslagen Mubarak moest maar zien hoe groot hij zich hield onder deze schoffering door Amerika's eerste vriend in de Arabische wereld.

Naar de inhoud van zijn diplomatie lijkt Clinton afstand te nemen van het streven van Bush om zich met alle betrokkenen in het Midden-Oosten te verstaan. In plaats daarvan tendeert hij naar een Syrië-eerst-strategie waarbij hij de door eigen verdeeldheid en woede geïsoleerde Palestijnen aan hun lot overlaat.

De "Syrië-eerst'-gedachte spruit voort uit een berekenende analyse - van Yitzhak Rabin - die inhoudt dat Syrië zijn beschermende wereldmacht, de Sovjet-Unie, kwijt is en heeft gezien hoe zijn voornaamste Arabische rivaal, Irak, aan macht heeft ingeboet, en nu klaar is voor een door Amerika geforceerde ruil van vrede voor land naar het vijftien jaar geleden door Egypte en Israel bekokstoofde model.

Premier Rabin is, met enige voortvarendheid, begonnen het Israelische publiek op de samenwerking met Damascus voor te bereiden. Hij verkiest zijn oude compagnon in de troepenscheiding tussen Israel en Syrië in 1974, president Hafez Assad, boven de onderling verdeelde en ongedisciplineerde Palestijnen. Rabin wordt door zijn kiezers onder druk gezet om geen snel akkoord te sluiten over Palestijnse autonomie, en hij mag enig profijt verwachten van onderhandelingen op korte termijn met Syrië.

Intussen kan Israel altijd staande houden - naar Midden-Oosters gebruik - dat een opening naar Syrië en het afhouden van de Palestijnse boot de beste manier is om de Palestijnen te bewegen water in de wijn te doen.

Het is in te zien waarom Rabin en Clinton geneigd zouden zijn deze weg in te slaan, vooral wanneer, en ook dat lijkt denkbaar, president Assad bereid is tot afspraken waarbij de Palestijnen tussen wal en schip raken. Waarom zou Israel zich meer zorgen maken om de Palestijnen dan hun Arabische broeders in Damascus?

Dat is een terechte vraag, en er is een ontnuchterend antwoord: omdat Israel er veel meer belang bij heeft de Palestijen ter wille te zijn dan Syrië. Voor de Syriërs zijn de Palestijnen een plaag. Voor de Israeliërs zijn zij haast letterlijk een nagel aan hun doodkist. Hoe schamel hun beleid en status soms ook zijn, de Palestijnen vormen in de Arabische politiek het symbool bij uitstek van verlies door Westerse indringing. Of de Palestijnen hun politieke weg zullen vinden mag betwijfelbaar zijn; dat Israel een alles overheersend belang heeft bij hun politieke groei is dat niet.

Premier Rabin kijkt naar de strategisch gunstige omstandigheden, naar het geweld en de verdeling onder de Palestijnen en naar de zware politieke wolken die zich in eigen land rechts van hem samenpakken. Hij komt sterk in de verleiding om ja te zeggen tegen een akkoord met Syrië, zoals Menachem Begin ja zei tegen Egypte, en de besprekingen met de Palestijnen te vertragen. Als politiek op de korte termijn is dat verdedigbaar.

Maar de Verenigde Staten hebben hun eigen verantwoordelijkheden als trouwe vriend van Israel en ook als dé arbiter voor stabiliteit in het Midden-Oosten. Ze zouden het huidige strategische voordeel moeten gebruiken voor de Midden-Oosten-kwestie als geheel en niet voor slechts een deel daarvan. Washington moet Israel de volledige, onverzettelijke steun bieden die het land nodig heeft om de moeizame dialoog met de Palestijnen, met alle risico's van dien, voort te zetten. En Washington moet Palestijnse voorstanders van coëxistentie en democratie respect betonen voor hun politieke rechten.

Het heeft de betrokkenen sinds de vrede tussen Egypte en Israel vijftien jaar gekost om zich in positie te manoeuvreren voor de volgende punt van de taart. De gelegenheid is daar, als president Clinton premier Rabin wil helpen haar te baat te nemen. De auteur is columnist van The Washington Post. © NRC Handelsblad/The Washington Post.