Simons volgens hoogleraar gevaar voor het onderzoek; "Wij hebben nieuwe geneesmiddelen hard nodig'

Staatssecretaris Simons (volksgezondheid) komt binnenkort met zijn "geneesmiddelenbrief'. Daarin kondigt hij een fors pakket bezuinigingen aan. De Amsterdamse hoogleraar Timmerman vindt dat er ten onrechte voornamelijk naar de prijs van geneesmiddelen wordt gekeken.

AMSTERDAM, 15 APRIL. “Er is al geruime tijd geleden geconstateerd dat wij in Nederland collectief te veel uitgeven aan gezondheidszorg. Geneesmiddelen worden bij al die gelegenheden snel uitgekozen als kostenpost waarop kan worden bezuinigd. Andere aspecten van zorg worden veel minder in de publieke discussie betrokken. De overheid heeft voor dat bezuinigen op de geneesmiddelen diverse schema's gebruikt. Recentelijk heeft de Algemene Rekenkamer vastgesteld dat geen van de maatregelen sinds 1979 het beoogde effect heeft gehad.”

Volgens prof.dr. H. Timmerman, hoogleraar farmacochemie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, gaat de actuele discussie over de consumptie van geneesmiddelen ten onrechte voornamelijk over de prijzen. “Slechts sporadisch is er enige aandacht voor de kwaliteit en de omvang van het gebruik. Het is opvallend dat er nauwelijks wordt gesproken over de positieve bijdragen van farmacotherapie aan de gezondheidszorg. Onbegrijpelijk is echter dat er vanuit de overheid zo'n geringe aandacht is voor de consequenties van dit beleid op lange termijn.”

Als er bespaard moet worden in de gezondheidszorg, meent Timmerman, moeten uiteraard de kosten voor geneesmiddelen eveneens worden bekeken. Ook al bedragen deze nog geen tien procent van het totaal. Bovendien stijgen de uitgaven voor medicijnen sneller dan die van de andere sectoren in de gezondheidszorg, ondanks nieuwe maatregelen tot beheersing van de kosten, zoals het Geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS). “Al bij de introductie van het GVS heb ik er op gewezen dat dit niet deugde. Volgens mij is er alleen naar de mogelijk gunstige effecten op korte termijn gekeken en niet naar die op langere termijn. De huidige praktijk wijst uit dat ik gelijk had”, aldus Timmerman.

In het GVS zijn geneesmiddelen ondergebracht in groepen die geacht worden vergelijkbaar te zijn. De dagprijs voor het middel dat direct onder het groepsgemiddelde ligt is de vergoeding voor alle middelen binnen dat cluster. Voor duurdere medicamenten moet worden bijbetaald. Middelen die zich niet met andere laten vergelijken komen op een aparte lijst en worden volledig vergoed.

“Ik vind het bijzonder ernstig dat WVC de waarschuwing dat deze maatregel uiteindelijk leidt tot een vermindering van de gemeenschappelijke research bij de industrie, en dus tot minder nieuwe geneesmiddelen, afdeed met de opmerking: Ach, er komen toch maar zeer weinig nieuwe middelen die van belang zijn. Nog kwalijker was dat de apothekersorganisatie KNMP zich bij de mening van Simons leek aan te sluiten. Die houding volgde uit de zeer gunstige perspectieven - binnen het GVS - voor de apothekers. Blijkbaar was voor hen het hemd nader dan de rok”, zegt Timmerman. Uit berekeningen van de Vereniging van Nederlandse Zorgverzekeraars is gebleken dat de apothekers er door die maatregelen er gemiddeld 204.000 gulden per apotheek per jaar op vooruit zijn gegaan.

“Maar heeft Simons gelijk als hij zegt dat er zo weinig nieuwe, belangrijke geneesmiddelen uit de industriële research komen?”, vraagt Timmerman zich af. “Niets is minder waar. Na de enorme hausse in de jaren zestig worden nu aanmerking minder nieuwe geneesmiddelen gentroduceerd. Maar de kwaliteit van de nieuwe middelen is veel hoger. Zo zijn de moderne anti-psychotica onvergelijkbaar met het klassieke chloorpromazine en zijn de ACE-remmers een grote vooruitgang ten opzichte van bijvoorbeeld de bèta-blokkers. Onlangs merkte de farmaceutisch adviseur van de Ziekenfondsraad op dat van de 44 nieuwe werkzame stoffen waarover voor de GVS de laatste twee jaar advies isuitgebracht, er maar liefst 36 procent niet onderling vervangbaar is. Die getallen komen overeen met de gegevens uit de VS.”

Timmerman: “WVC vraagt zich ook af waarom er "niets' wordt ontwikkeld voor ziekten die nog niet medicamenteus kunnen worden behandeld. Gesuggereerd werd dat dit zou komen omdat aan zulke middelen te weinig verdiend wordt. De oorzaak is uiteraard dat bij dergelijke ziekten nog geen geschikt (patho)fysiologisch aangrijpingspunt voor een geneesmiddel is gevonden.”

De hoogleraar vindt niet dat de prijs van geneesmiddelen in ons land hoog is vergeleken met die in andere landen. “Tegelijk is het percentage dat de kosten voor geneesmiddelen uitmaken van de totale kosten in de volksgezondheid in Nederland het laagst van alle EEG-landen, 8,2 procent tegenover België met 17,3 procent en Griekenland met 31 procent. Overigens is onze gezondheidszorg wel duur. Als percentage van het bruto nationaal produkt even hoog als Duitsland - 8,1 procent - alleen Frankrijk is duurder met 8,9 procent.”

Waarom zijn bij ons de medicijnen zo duur? “De reden”, zegt Timmerman, “is niet dat hier nu eenmaal alles duurder is dan in andere landen. Maar er is wel iets anders aan de hand. De farmaceutische industrie geeft 15 tot twintig procent van de omzet uit aan research en ontwikkeling. Zeer goed is te verdedigen dat per economische eenheid - een lidstaat - een vergelijkbare bijdrage wordt geleverd aan de kosten voor de ontwikkeling van nieuwe therapeutische preparaten. In landen waar per hoofd van de bevolking weinig medicamenten worden gebruikt moet de prijs wel hoog zijn. Dat is ook het geval: zo zijn in België geneesmiddelen goedkoper, maar wordt er wordt dan ook zeer veel geconsumeerd.”

Vraag blijft dan of Nederland moet meebetalen aan middelen die elders worden ontwikkeld. Timmerman: “Het lijkt mij van wel. Wij hebben nieuwe geneesmiddelen hard nodig. Bovendien trekken maatregelen zoals die hier in Nederland, de aandacht in andere landen. Als GVS-achtige maatregelen wereldwijd zouden worden genomen is dat op lange termijn funest voor de gezondheidszorg.”

“Het GVS levert dus niet de gewenste besparing op. De redenen zijn duidelijk. In de eerste plaats drukken op nieuwe geneesmiddelen de relatief hoge kosten van recente researchprogramma's. Belangrijker is dat industrieën proberen hun preparaten buiten de clusters te houden om zodoende hoge vergoedingen te verwerven. Wanneer zulke produkten ook nog veel worden voorgeschreven is WVC in last. WVC hield vast aan het GVS en de industrie zocht wegen om de schade zo veel mogelijk te beperken. Het waren de grote industrieën die de schade het best wisten te beperken: zij hebben grote produkten die niet te clusteren zijn. De verliezers zijn de kleinere innoverende industrieën. Op langere termijn levert dit een grote bedreiging op, omdat deze ondernemingen hun research moeten stoppen en door grotere bedrijven zullen worden opgeslokt.”

“Wat betekent het trouwens”, vraagt Timmerman zich af, “dat alleen middelen tegen ziekten waarvoor nog geen farmacotherapie bestaat als innovatie worden beschouwd? Het betekent dat WVC denkt dat de farmacie bijna af is. Reuma nog, zegt de staatssecretaris - hoewel: er is aspirine? - MS en natuurlijk aids. Nu maar hopen dat er geen nieuwe ziekten bijkomen. Regelrechte onzin natuurlijk. Er zijn veel goede geneesmiddelen, maar weinig zijn er ideaal. Er valt nog veel te verbeteren. Wat bijvoorbeeld te denken van de orale contraceptiva? Was de kwaliteit van de eerste pil met de huidige maatstaven gemeten, niet inferieur? Het zou toch ook te ver gaan te zeggen dat met AZT en enkele opvolgers aids onder controle is.

“De industrie blijft zich in de eerste plaats verzetten, hoewel men best weet dat bepaalde overheidsmaatregelen niet tegen te houden zijn. De financiële mogelijkheden voor research nemen af, daardoor krijgen minder risico dragende projecten voorrang. De innovatiefrequentie zal teruglopen.”

Timmerman is het niet eens met het voorstel, zoals de innoverende industrie nu aan de overheid heeft gedaan om over de gehele breedte te bezuinigen. “Er zijn een paar giganten, die met een paar middelen enorme omzetten bereiken en aldus voor een goed deel de overschrijdingen veroorzaken. Ik vind dat die bedrijven een extra inspanning zouden moeten leveren.”

“Vaak wordt gezegd,” aldus Timmerman, “dat aantasting van de farmaceutische industrie de BV Nederland niet zou deren, gezien de geringe omvang van de bedrijfstak. In de eerste plaats wordt de farmaceutische industrie internationaal bedreigd en zijn wij voor onze geneesmiddelen nu eenmaal afhankelijk van internationale ondernemingen. Ten tweede is Organon de enige nog overgebleven Nederlandse innoverende farmaceutische industrie. Organon heeft geen steun van de overheid nodig. Let wel: We hebben het hier over een bedrijf van eenzelfde omvang als Fokker. Maar die steun van de overheid voor Organon lijkt me wel van belang. De betekenis van de farmaceutische industrie voor de gezondheidszorg is te belangrijk om deze bedrijfstak teloor te laten gaan of in handen te laten komen van een klein aantal multinationals. Het valt te betwijfelen of iedereen die beslissingen moet nemen zich ten volle van alle consequenties bewust is. De patiënt mag niet de rekening betalen van nieuwe beoordelingsfouten,” aldus Timmerman.