Rotterdamse Schouwburg: open dagen bij eerste lustrum; "Het gaat niet zo slecht met het toneel'

Met twee open dagen, komende vrijdag en zaterdag, viert de Rotterdamse Schouwburg het vijfjarig bestaan. “Dank zij het succes van het RO-theater was ik eerder in staat risicovol te programmeren,” zegt directeur Carel Alons.

"Zonder hoogdravende bedoelingen' zet de Rotterdamse Schouwburg het eerste lustrum kracht bij - niet omdat zo'n vijfjarig bestaan al meteen aanleiding is voor overvloedig feestgedruis, maar omdat er nog altijd Rotterdammers zijn die het gebouw nimmer van binnen hebben gezien. Twee dagen lang houdt het gebouw, dat Wim Quist vijf jaar geleden voor 36 miljoen gulden neerzette, open huis. In de zogenoemde "kist van Quist' treft men dan niet alleen de kaartverkoop voor het komend seizoen, maar ook muziek en fragmenten uit voorstellingen van de drie stadsgezelschappen: RO-theater, Scapino Rotterdam en De Zwarte Hand.

De bezetting van de schouwburg, tussen de 70 en 75 procent, geeft inmiddels aanleiding tot tevredenheid, beaamt directeur Carel Alons. Daarmee is immers al goeddeels voldaan aan de oorspronkelijke opdracht de schouwburg "terug te geven' aan de Rotterdammers die zich in het begin van de jaren tachtig massaal van grootscheeps theater hadden afgewend. Onmiddellijk tekent Alons erbij aan, dat hij is geholpen door de "onverwacht snelle aansluiting' die het RO-theater, na zijn voorbereidende activiteiten in Hal 4, bij de Rotterdamse bevolking heeft gevonden. Hij acht het niet zijn taak "iets te vinden' van het artistieke beleid van zijn huisgezelschap, “maar ik kan er wel dt van zeggen: dank zij het succes van het RO-theater was ik eerder in staat risicovol te programmeren. Als dat niet zo snel was gegaan, had ik meer concessies moeten doen om het publiek terug te halen naar de schouwburg.”

Alons staat dan ook niet aan het hoofd van een elk-wat-wils-programmering. “We kiezen hier veel meer voor gezelschappen dan voor individuele voorstellingen,” zegt hij - enerzijds een vaste bezoeker als de Royal Shakespeare Company ("traditioneel, vakmatig theater, waarmee we een nieuw publiek aanboren') en anderzijds de vernieuwende initiatieven van Anne Teresa de Keersmaeker, Jan Fabre en Jan Lauwers. Kortgeleden waren de vier avonden van De Keersmaeker (met Rosas en Ernst) voor het eerst uitverkocht: “Dat laat zien hoe je beloond kunt worden voor vijf jaar vasthoudendheid. In die periode zijn we haar steeds blijven brengen en nu is er dus een publiek voor. Nee, niet omdat op die avonden half Amsterdam leegstroomt en naar ons toekomt, zoals wordt beweerd. Dat publiek komt grotendeels uit Rotterdam en de regio.”

Graag beschouwt Alons zulke, door hem geprotegeerde theatermakers en -groepen als huisgezelschappen, net als RO en Scapino. Zijn eerste huisgezelschap, het RO-theater, bezet 65 van de 240 avonden in de grote zaal. Er is, zegt hij, wederzijds sprake van "een gezond expansie-achtig gedrag'. Het gezelschap zou zich er vaker dan nu willen manifesteren, terwijl Alons nog extra ruimte zoekt voor andere voorstellingen: “Ik vind bijvoorbeeld dat wij geen goede, consequente presentatieplek hebben voor nieuw buitenlands theater. Zoiets als De Singel in Antwerpen, dat is er niet in Nederland.”

Hoewel het RO-theater zich steeds sterker maakt voor een eigen onderdak in Rotterdam, hoopt Alons toch op zijn minst de grote-zaalprodukties te behouden. “Het zou onhaalbaar zijn om het RO hier helemaal kwijt te raken. Niet alleen om de huur die ze opbrengen, maar ook om het soort voorstellingen. Maar een eigen plek voor hun kleinere produkties juich ik toe. Het zou hier enigszins de druk van de ketel halen. We zouden de buitenlandse voorstellingen meer ruimte kunnen geven en bovendien: het Scapino, dat mede door ons naar Rotterdam is gekomen, moet de komende jaren van de huidige vijftienvoorstellingen per jaar kunnen uitgroeien naar dertig.”

Het komende, zesde seizoen wordt traditiegetrouw geopend met De keus van de schouwburg, de populaire reprise-maand die Alons heeft ingesteld nadat het Theaterfestival uit zijn gebouw was weggetrokken. Dat vertrok wegens onenigheid tussen het Rotterdamse kamp, dat er een eigen stedelijk initiatief van wilde maken, en de in Amsterdam gevestigde organisatoren, die zich niet wilden binden aan één lokatie. Sindsdien maakt het schouwburgpersoneel een eigen selectie: “Heerlijk, één keer per maand met z'n allen over toneel praten in plaats van over de dagelijkse rompslomp.”

Maar hij blijft van mening dat zo'n reprise-maand maar behelpen is: “Ik ben er een beetje pissig over dat het niet lukt het probleem van het doorspelen van succesvolle voorstellingen op te lossen. We moeten streven naar een situatie waarin elk seizoen een mengeling is van nieuwe voorstellingen èn van succesvolle produkties van het vorige seizoen. Dat zou het voor de schouwburgdirecteuren in de provincie ook veel makkelijker maken om publiek te werven. Je kunt nòg zo de mond vol hebben over marketing, maar het zijn toch de voorstellingen die het moeten doen. De gezelschappen nemen een veel te slaafse houding in tegenover hun acteurs; in de contracten wordt nog steeds geen rekening gehouden met de mogelijkheid van een verlenging. Als dat zou worden opgelost, en de schouwburgen meer blind dates gaan afspreken met de gezelschappen, dan kun je er een veel groter publiek mee bereiken. Het gaat helemaal niet zo slecht met het toneel in Nederland, maar het kàn veel beter.”