Platitudes over Duitsland

Onbekend maakt onbemind, zo wil het althans een bekende zegswijze. Helemaal overtuigend is deze overigens niet. Als we de moderne letterkunde mogen geloven brengt het grootste deel van de jonge mannen het grootste deel van hun jeugd door met het beminnen van geheel onbekende vrouwspersonen. Onbekend maakt hier dus niet onbemind. Integendeel, de onbekendheid draagt waarschijnlijk in belangrijke mate bij tot het beminnen, want menig filmidool blijkt bij nadere kennismaking nogal tegen te vallen (al is dit bij Marilyn Monroe niet echt goed voor te stellen).

Het omgekeerde is ook waar. Het is immers zeer de vraag of de liefde toeneemt als men meer van iets of iemand weet. Toen wij Hitler, Stalin, Idi Amin beter leerden kennem, zijn wij toen ook meer van hen gaan houden? Wij geloven van niet. Integendeel, vele pro-fascistische, communistische of tiersmondistische intellectuelen die aanvankelijk begrip en waardering voor deze dictators toonden, zijn daar bij nadere kennismaking van teruggekomen.

De waarheid van deze zegswijze is dus slechts zeer beperkt en als het Instituut Clingendael gemeend heeft met de titel van het rapport Bekend en onbemind een puntige paradox te hebben geformuleerd, dan heeft het zich vergist. Het is trouwens überhaupt nogal onduidelijk waarom men een onderzoek naar de gevoelens en opvattingen van Nederlandse jongeren over Duitsland - want daar gaat dit rapport over - zou instellen. De conclusies zijn in ieder geval niet erg verrassend.

Dat Nederlandse jongeren weinig van Duitsland moeten hebben was genoegzaam bekend. Iedereen kent wel voorbeelden van het anti-Duitse sentiment dat onder strandtoeristen en naar aanleiding van voetbalwedstrijden pleegt op te laaien. De jongeren doen hieraan natuurlijk vrolijk mee want zij voelen zich in hun vulgair antimoffisme door vele ouderen ondersteund. Er bestaat nu eenmaal al meer dan een halve eeuw een legitimatie om "anti-Duits' te zijn en een paar televisieprogramma's maken in dit opzicht meer uit dan alle activiteiten van het Goethe Instituut bij elkaar. Er zijn vast goede redenen om te zorgen dat de bibliotheek van dat instituut, die volgens een recent krantebericht wordt bedreigd, voor Nederland behouden blijft, maar of dat veel invloed zal hebben op het Duitslandbeeld van onze jongeren valt zeer te betwijfelen.

Hetzelfde geldt voor het onderwijs. In de conclusie van het rapport staat weliswaar: “Met een toename van de kennis van Duitsland wordt de houding in het algemeen wel wat positiever”, maar ook: “Het volgen van lessen geschiedenis heeft slechts een matig verband met kennis”. Uit het rapport blijkt namelijk dat de jongeren Duitsland heerszuchtig en weinig vredelievend vinden. De directeur van Clingendael, prof. Voorhoeve schrijft in zijn Voorwoord dat dit voor geschiedenisleraren reden zou kunnen zijn zich te bezinnen op de wijze “waarop de kennis over de geschiedenis van Duitsland tussen 1871 en 1990 het beste overgebracht kan worden”.

Het is echter zeer de vraag of het geschiedenisonderwijs in dit opzicht heeft gefaald. Men moet de jaren 1870-1990 wel op een bijzonder subtiele manier behandelen om de indruk van een zekere Duitse oorlogszuchtigheid geheel en al weg te nemen. Als men bovendien ziet dat onder de meest karakteristieke Duitse eigenschappen "democratisch' nog hoger scoort dan "heerszuchtig' en dat de jongeren Duitsland democratischer vinden dan Engeland, Frankrijk en België, dan dringt de conclusie zich op dat het met die lessen wel meevalt.

De leerlingen hebben kennelijk geleerd dat de Duitsers veel oorlogen hebben gevoerd, maar na 1945 een democratisch land zijn geworden. Beide inzichten zijn juist maar ze zijn moeilijk te rijmen, zeker voor jongeren en zeker in het kader van de simpele vragen van een enquête.

Er staan meer curiosa in deze enquête. Zo hebben de jongeren een opmerkelijke afkeer van Ierland en de Ieren. De verklaring hiervan is waarschijnlijk dat zij hierbij denken aan de toestand in Noord-Ierland, dus in Groot-Brittannië. Ze zijn daarentegen gek op Nederland en vinden hun eigen land niet alleen veel democratischer en vooruitstrevender dan enig ander land, maar ook technisch hoger ontwikkeld dan alle andere, inclusief Duitsland.

Er staan kortom veel dwaze dingen in dit rapport en dat behoeft ook niemand te verbazen. Er zijn weinig onderwerpen waar jongeren veel van weten en nog minder waar zij genuanceerd over denken. Een enquête onder jongeren over welk onderwerp dan ook levert zodoende evenveel platitudes op als de straatinterviews waar Nederlandse televisiejournalisten in hun hang naar de ultieme onbenulligheid hun rubrieken mee blijven vullen.

Gelukkig staan hier twee dingen tegenover. In de eerste plaats mogen deze jongeren - althans de meesten van hen - nog niet stemmen. Het doet er dus gelukkig in de praktijk niet veel toe wat zij denken. In de tweede plaats is het enige dat vaststaat over jongeren dat zij ouder worden. Iets minder vaststaand maar toch ook redelijk om te veronderstellen is dat zij dan ook genuanceerder en verstandiger gaan denken, ook over Duitsland. Dat doen immers de meeste volwassenen ook.

Het rapport van Clingendael is voortgekomen uit de zorg over het Nederlandse Duitslandbeeld en gaat uit van de veronderstelling dat het voor politieke en economische contacten ongunstig is als “politici, topambtenaren en mensen uit het bedrijfsleven er zulke beelden op na houden”. Maar dat is ook helemaal niet het geval. De Nederlandse-Duitse betrekkingen zijn over het algemeen goed. Wetenschappelijke contacten zijn er te over, het zakenleven bloeit, politieke problemen bestaan vrijwel niet. De Nederlandse aandacht voor Duitsland is groot, en terecht. Nu de Koude Oorlog is weggevallen, Amerika minder omnipresent is en de Sovjet-Unie non-existent, zoekt ook Nederland naar een nieuwe politieke oriëntatie. Daarbij richt het zich welhaast automatisch op Duitsland.

Natuurlijk zou het in principe wenselijk zijn met alle drie de traditionele grote Europese landen om ons heen goede relaties te onderhouden en in theorie zouden wij dat ook wel willen, maar hoe moet dat in de praktijk? Frankrijk wordt tot in het diepst van de Nederlandse ziel gewantrouwd. Geen Nederlands politicus die er een goed woord voor over heeft. Engeland daarentegen wordt tot in het diepst van ons hart bemind, maar wat kan een mens nog van Engeland verwachten behalve amusante televisieprogramma's en vermakelijke parlementaire debatten? Engeland doet niet mee, in iedere geval voorlopig niet en misschien wel nooit meer.

Vandaar dat de politiek simpel is, zowel voor de Nederlandse Bank en het Nederlandse bedrijfsleven als voor de diplomaten van Buitenlandse Zaken en de denkers van Clingendael: Amerika en Duitsland zijn de plechtankers van de Nederlandse politiek. Mutatis mutandis was het een eeuw geleden niet anders. Toen in 1884 een internationale conferentie in Berlijn werd gehouden, gaf de minister van buitenlandse zaken aan de gezant in Berlijn opdracht zich om de zaak zelf, die voor Nederland niet belangrijk was, niet te veel te bekommeren maar wel zorgvuldig de grote lijn in de gaten te houden. “Immers”, zo schreef hij in zijn instructie, “hebben wij ons zeer bepaald voor ogen te stellen dat (...) wij op het continent de zwakke nabuur van het machtige Duitsland blijven (...)”. Het woord blijven was hierbij wel zeer goed getroffen.