Ontucht in de kazerne

De discussie over het toelaten van homoseksuelen in het Amerikaanse leger wordt beheerst door een spookbeeld dat langzamerhand mythische proporties heeft aangenomen: de douche. In alle commentaren en debatten figureert wel ergens het beeld van een stomende badzaal, waar soldaten eendrachtig hun bezwete lichamen afspoelen, relaxed en grappen makend - mannen onder elkaar tenslotte -, terwijl zich temidden van deze zeperige onbekommerdheid ook enige figuren bevinden die steelse, wellustige blikken om zich heen werpen, ja, wie weet zelfs straks hun impulsen niet kunnen bedwingen.

Dit angstvisioen is even onwaarschijnlijk als verkrachting op het naaktstrand. Seksuele intimiteiten, al dan niet gewenst, floreren nu eenmaal niet onder te veel toeschouwers, behalve dan de seksuele strafexpedities die in gevangenissen of op kostscholen worden ondernomen, maar daar zijn homoseksuelen juist weer eerder slachtoffer van dan dader.

Het debat is vooral ergerniswekkend, omdat zowel voor- als tegenstanders even ver van de werkelijkheid afstaan. Het compromisvoorstel dat ergens rondslingert, namelijk om homoseksuelen wel toe te laten maar ze onder te brengen in aparte bataljons, vormt dan ook met recht de kroon op de absurditeit. Het is een moeras, waarin de zaak zelf steeds verder wegzinkt, en het tragische is dat hoe meer er over gepraat wordt, hoe hopelozer het eruit komt te zien. De kern van het argument vóór toelating is dat homoseksuelen een minderheid zijn à la zwarten en vrouwen, die vroeger niet in het leger mochten en nu wel. Maar je kunt homoseksuelen niet aan hun uiterlijk herkennen, althans niet zoals dat met zwarten en vrouwen mogelijk is. Ze hebben dan ook lang niet zo'n duidelijke geschiedenis van discriminatie achter de rug als zwarten, voor wie niet alleen een carrière in het leger onbereikbaar was, maar die ook niet toegelaten werden tot bepaalde woonbuurten, scholen, banen of restaurants.

Grove discriminatie is toch iets anders dan wijdverspreid vooroordeel, waar homoseksuelen altijd mee te maken hebben gehad (en zwarten natuurlijk ook als voedingsbodem voor de discriminatiepraktijk). Het object van vooroordeel beschikt over net iets meer manoeuvreerruimte dan het object van discriminatie. Wie een café niet binnen mag, staat letterlijk voor een gesloten deur. Maar in het leger hebben altijd homoseksuelen gezeten, ook al zaten ze dan "in de kast'.

Het gebied van seksuele handelingen is glibberig en zompig en leent zich daardoor niet voor het formeren van belangengroepen op emancipatoire grondslag. Emancipatie is gericht op het slechten van barrières, zodat minderheden betere kansen krijgen. Maar iemand zijn seksuele doen en laten is, voor zover de strafwet niet overtreden wordt, een privé-aangelegenheid, die voor welke baan dan ook even irrelevant zou moeten zijn als bijvoorbeeld het gegeven dat iemand in onmin met zijn ouders leeft.

Homoseksuelen van het leger uitsluiten vanwege het gevaar van ontucht in de kazerne is even vergezocht als een verbod voor heteroseksuele jongemannen om les te geven op een middelbare school vanwege het risico op verhoudingen tussen leraren en leerlingen. Dat beide verschijnselen zich desondanks zullen voordoen valt niet te vermijden. Gedragsregels worden nooit door iedereen tot in de puntjes gevolgd, maar ze vormen wel het enige houvast om een scheiding te maken tussen publiek en privé.

Het aanmerken van homoseksuelen als een afgeperkte minderheid die ter emancipatie in diverse maatschappelijke regionen formeel vertegenwoordigd zou moeten zijn leidt tot onverkwikkelijke privacy-schending. Ik kan me in ieder geval voorstellen dat genoeg homoseksuelen niet per se als homo in het leger willen, maar omdat ze het leuk vinden om in een F-16 te vliegen.

Hoe meer erover gepraat wordt, hoe meer het leger afglijdt in de richting van een in zichzelf besloten theekransje. Zelfs al te bang om met een buitenbeentje onder de douche te staan. Hoe moet dat als de vijand voor de poort staat?