Hoog in Nederland, dalen we door een breed dal af naar Belgie

Route uitgestippeld m.b.v. Topografische Kaart 1 op 25.000, blad 69B. Voor meer informatie en (rond)wandelingen: Wandelgids Zuid-Limburg van Roland/La Bastide, uitg. Elmar, Rijswijk, en ook Voetwijzer nr. 1 en nr. 4 van Op Lemen Voeten, uitg. Terra Zutphen.

Zaterdagmorgen, half negen. Het is nog stil in Valkenburg. We staan aan het begin van een tweedaagse wandeling, een kilometer of zestig lang, rondom het plateau van Margraten. De route voert langs en door de hellingbossen van de Geul, de Gulp, de Voer en de Maas.

Na een nacht met vorst zijn de weilanden berijpt en de autoruiten bevroren. Het Gerendal, bekend door de tuin met orchideeën en de bordjes "Stiltegebied", ligt er verlaten bij. De hemel is strakblauw, de temperatuur stijgt snel. De lammeren bij de schaapskooi wankelen op hun pootjes, ze zijn waarschijnlijk nog maar een paar dagen oud.

Vanaf de hoge onverharde wegen wordt Gulpen, gelegen in het diepe dal van de Gulp, pas zichtbaar als we vlak in de buurt zijn. Een brede oprijlaan leidt naar het kasteel Neubourg, imposant en verbazingwekkend. Jammer dat het onderhoud zoveel te wensen overlaat. Roestige hekken en ingestorte muren omringen nu de potsierlijke uivormige torens.

Langs de hellingbossen van het Gulpdal, met duizenden krijsende kraaien, dalen we af naar het kleine maar toeristische Slenaken. Vervolgens leidt de kaarsrechte onverharde Planckerweg naar het gehucht Plank, waar bij grenspaal 19 een Nederlandse punt in Belgie steekt. Plank zelf is Belgisch, en dat kun je onmiddellijk zien. Geen planten achter de ramen, bijvoorbeeld.

Vanaf het hooggelegen Plank dalen we af naar het dal van de Voer. In een cafe in Sint Martensvoeren drinken we koffie en kijken we mee hoe Fondriest Milaan-San Remo wint (en hoe de Italianen van een wielerwedstrijd een chaos kunnen maken). Na een flinke klim bereiken we een verlaten boerderij met een erf vol autowrakken en valse honden. Grenspaal 22, we keren terug in Nederland.

Prachtige vergezichten, glooiende weilanden en fraaie hellingbossen, onverharde holle wegen en paden, met op kruispunten een wegkruis-met-Christusbeeld. Dit is ideaal wandelland.

Hotel Sint Brigida in het pittoreske Noorbeek, het zuidelijkste dorp van Nederland, is dan ook een "wandelaarshotel'; je kunt er routes verkrijgen die reiken tot aan de abij van Val-Dieu in het onbekende Land van Hervé. Sint Brigida speelt in Noorbeek al vierhonderd jaar een belangrijke rol: in mei rijdt de "jonkheid' van het dorp een grote den naar het dorp. Deze Sint Brigida-den wordt vervolgens door de getrouwde mannen rechtop geplaatst. Het oude meifeest bood jonkheid en maagden, dansend rond de boom, een ideale ontmoetingsplek. Of dat nog zo is?

Vanaf Noorbeek, hoog in Nederland, dalen we door een breed dal af naar België. Halverwege de afdaling ligt, net over de grens, het kasteel Altembroek. De grote vijvers, gevoed door het water van het miniscule beekje de Noor, dienden waarschijnlijk ooit voor de forellenkwekerij. Bij het verlaten van het landgoed laat een bordje zien dat dit verboden gebied is. Ach ja.

In de Voerstreek lijkt de vrede teruggekeerd. Flaminganten en franskiljons hebben elkaar vanaf 1962, toen deze enclave tegen de Zuidlimburgse grens werd overgeheveld van de Franstalige provincie Luik naar de Vlaamse provincie Limburg, de voet dwars gezet. “Maar dat is nu over”, bezweert de vriendelijke juffrouw van cafe Wijnandts in 's Gravenvoeren terwijl ze haar eerste klanten bedient. Maar waar is dat Franstalige cafe naast uw cafe gebleven? “Dat hebben we opgekocht. Franstaligen komen nu even goed bij ons, dat is heus geen probleem meer.”

De Voerstreek wordt geleidelijk opgenomen in de vaart der volkeren, maar de toeristiek staat er gelukkig nog in de kinderschoenen. In Nederland zijn de dalen van Gulp en Geul soms wel erg keurig aangeharkt; aan de overzijde van de grens is het soms nog gewoon een lekkere rotzooi. We passeren vervallen, leegstaande huizen en schuren, wachtend op brand, afbraak of een nieuwe bewoner die het risico aandurft.

Op het plein in 's Gravenvoeren herinnert het standbeeld van een robuuste soldaat aan de gruwelijkheden van '14-'18. De tekst moest toen nog grotendeels Franstalig zijn. Nu zijn alle straat-, winkel-, en naambordjes tweetalig, soms zelfs dubbelop: een Franstalig bordje met Nederlandse ondertiteling, daaronder een Nederlandstalig bordje met Franse ondertiteling. De weg raak je niet zo snel kwijt in de Voerstreek.

We keren terug omhoog, langs intieme, holle onverharde wegen en boerenpaden die dwars over de brede golvende akkers leiden. Boerderijen ontbreken hier. Het land is doorkliefd met diepe ploegvoeren, de löss verdroogt en verhardt in de zon, het land schreeuwt om water (het kwam een dag later). Na grenspaal 27 lopen we weer in Nederland, waar het landschap kleinschaliger oogt, met weilanden en bongerds.

Het Savelsbos is een prachtig, hoog hellingbos, met een weids uitzicht over de Maasvallei. De bomen zijn nog kaal, maar op de grond zie je overal gele bosanemonen. Een geliefd wandeloord voor de zondag, zo blijkt. Maastricht is dan ook niet ver. Het landschap wordt verrijkt door droogdalen zoals de Schone Grub.

Middenin het bos waren ooit prehistorische mijnbouwers actief, de 'vuursteenwerkers van Ryckholt', die op zoek naar vuursteen diepe gangen groeven in de mergel.

Langs de bosrand aan de bovenkant hoor je alleen twinkelende vogels. Hier, uit de wind en in de zon, staat een enkele appel- of perenboom al in de bloesem. We zijn drieëneenhalf uur onderweg en worden in een weiland overmand door slaap. Plotseling schrikken we wakker. Op twee meter afstand levert een omvangrijk wandelgezelschap uitbundig commentaar. We knikken beleefd terug.

Langs Eckelrade voert de tocht verder, naar de bosranden bij Cadier en Keer. Het witte klooster verderop blijkt onbereikbaar, dus trekken we over een akker naar de Schiepersberg. Daar verspert een enorme, tientallen meters lange hoop half verteerd gras de weg. Als die barricade bedoeld is om zondagswandelaars op afstand te houden, dan lukt dat uitstekend.

Iets verderop ligt, uitgegraven in de helling ter rechterzijde, een mergelgroeve. We naderen Bemelen. Mergel - eenderde klei en tweederde kalk - wordt voor alles en nog wat gebruikt: huizenbouw, glasfabricage, cementbereiding, bemesting. De kalklaag stamt van honderd tot vijftig miljoen jaar geleden, toen dit gebied nog uit zee bestond en er schelpen en andere kalkresten van zeedieren op de bodem werden afgezet. Plannen van de Eerste Nederlandse Cement Industrie om het plateau van Margraten grootschalig onder de schop te nemen werden gelukkig door de Raad van State gedwarsboomd. Inmiddels worden de mergelgrotten bij Bemelen door vleermuizen bewoond. Buiten, op de hellingen waar het groengele kalkgras groeit, grazen schapen.

In het cafe in Bemelen kent de zondagmiddaggezelligheid geen grenzen. Even later vervolgen we onze route. Via Terblijt dalen we geleidelijk af naar de Geul. De Lange Bergweg, de naam zegt het al, voert langs een langgerekt droogdal, dwars door het brede hellingbos. Bosmuizen springen schichtig heen en weer. Beneden meandert de snel stromende Geul, een flink riviertje hier, dat steile wanden uitschuurt in het weiland.

Langs het pad tussen de bosrand en de Geul keren we terug in de bewoonde wereld. Bierbrouwerij De Leeuw, met prachtige ketels, markeert het begin van Valkenburg, waar zo veel mensen zo graag naast elkaar op uitgestrekte terrassen zitten, of in gokhallen staan, of langs de overvolle straten flaneren. Heerlijk, allemaal boven op elkaar, samen pret, pret, pret. Het is wel even wennen.