Hogere dijk? Lagere Rijn!

Drs. M.V. van Andel, werkt op de RUG. Ir. J.W. Boehmer, M.Sc., M.B.A. werkte bij de THD, MIT, V&W en CBS.

Komende woensdag debatteert de Tweede Kamer over de dijkverhogingen in de Betuwe. De commissie Boertien heeft aanbevolen met "uitgekiende' ontwerpen de dijken te blijven versterken. Het kabinet wil het liefst dat standpunt overnemen. Toch zou de eeuwenoude trend om rivierdijken te verhogen misschien beter verlaten kunnen worden. Want hoe hoger een dijk, hoe groter de ramp als hij overstroomt.

Er bestaat een goed alternatief: verlaag het peil van de rivier. Dat kan door het uitbaggeren van de rivierbodem, zodat de waterspiegel daalt. Dit geeft een permanente en betere beveiliging dan dijkverhoging. Hoe lager de rivierwaterstand ten opzichte van het te beveiligen land, des te sterker de bestaande dijk, en des te kleiner de inundatiediepte en het aantal verdrinkingen àls de dijk het niet houdt.

De bodem van Nederland is de laatste duizend jaar vijf meter gezakt; in de veengebieden van centraal Holland was dat iets meer en in de zee- en rivierkleigebieden van Zeeland en het rivierengebied wat minder. Onderwijl is het gemiddelde niveau van de zee en de uiterwaarden van de rivieren met een meter gestegen.

Ten opzichte van de zee is Nederland in het laatste millennium dus al zes meter gezakt. Verhoging van de zeedijken lag voor de hand en dat is dan ook systematisch gebeurd.

Maar hoe zit het met de rivierdijken? Die zijn eveneens successievelijk verhoogd. Door aanslibbing kwamen de rivierbodem en de uiterwaarden steeds hoger te liggen, zodat thans de rivier hoog boven het land stroomt. Niet voor niets sprak Multatuli al in de vorige eeuw over "rivieren op stelten' en hij waarschuwde voor het voortdurend doorgaan met het ophogen van de dijken.

Maar toch is dat precies wat men wil blijven doen. Ook de commissie Boertien adviseerde deze trend voort te zetten, al moet dat voortaan "uitgekiend' (het mag wat minder rücksichtslos). Toch is dat een ontwikkeling die de veiligheid niet echt verhoogt. Het verkleint weliswaar tijdelijk de kans op overstroming, maar de omvang en de gevolgen van een overstroming zijn veel groter.

Wij pleiten er dan ook voor om serieus te overwegen eindelijk eens te breken met de eeuwenoude en begrijpelijke trend om rivierdijken steeds maar te verhogen en te verbreden. Want hoe hoog en breed dijken ook worden, de sedimentatie (afzetting van rivierslib en zand) blijft eeuwig doorgaan en de kwel neemt toch toe, ook al neemt men maatregelen. Eens moet men de rivierbodem toch verlagen. Doe het dan liever nu.

De waterbouwer Jan Blanken zei al in 1809 dat dijkverhogingen geen oplossing waren. Hij adviseerde toen de afvoer te vergroten door de Nieuwe Merwede te graven en de rivier te kanaliseren (bochtafsnijdingen, kribben, en geen bomen in de uiterwaarden). In 1852 gebeurde dat en sindsdien is de rivier ook in snel tempo gekanaliseerd en van stuwen en sluizen voorzien om de scheepvaart te dienen, en tevens de waterverdeling over de Rijntakken te regelen.

Hoe ziet het baggerplan eruit? De Waal wordt circa vier meter uitgebaggerd en de andere Rijntakken twee meter. De waterverdeling over de Rijntakken blijft dan hetzelfde. Er moet een zeker verloop zijn. Onder Lobith denken wij aan een baggerdiepte van vier meter: twee meter om de waterstand met twee meter te verlagen en nog eens twee meter om de vloedbossen weer toe te laten en de gevolgen van een kleiner verhang van de rivieren op te vangen.

Aangezien bij het begin van de gebaggerde zone een stroomversnelling ontstaat, moet de toekomstige bodem daar uit grind bestaan. Boven Lobith moet bovendien een overgangszone met de Duitsers worden afgesproken. Voor Duitsers is dit niet nieuw, want de bodem van hun Benedenrijn zakt al door mijnverzakkingen. Vroeg of laat zullen wij onze Rijnbodem daar toch op moeten aanpassen.

De ondergrens van de gebaggerde zone moet daar komen waar de rivier tijdens laagwater ophoudt met stromen in de benedenrivieren. Dat is voorbij Gorkum. Ook hier moet een overgangszone komen om het teveel aan meegevoerd zand gespreid te laten sedimenteren.

Het netto-effect van het verlagen van de rivierbodem is dat de waterstand navenant zakt. Want hoe dieper het zomer- en winterbed van een rivier des te meer water kan ze doorlaten zonder dat de dijken verhoogd hoeven te worden.

Er zijn natuurlijk nadelen aan dit plan verbonden. Zo zal een deel van de sluizen, kanalen, havens en andere kunstwerken aangepast moeten worden. Ook kribben en kades moeten zakken.

Maar dan de voordelen. Een eerste voordeel van het tegelijk verlagen van het zomer- èn winterbed is natuurlijk dat zoiets het landschap veel minder aantast. Het landschap van uiterwaarden met vloedbossen wordt weer zoals vroeger. Ons "oude erfgoed' komt dan weer terug.

Het tweede voordeel is dat het vervuilde slib dat nu op de rivierbodems ligt eindelijk wordt weggehaald, en dat moet toch gebeuren, hoe eerder, hoe liever. De bestemming van dit baggerslib is nog onduidelijk. Te denken valt aan een eiland voor de kust, aan kustverbreding en aan reiniging.

Betuwelijn

Een derde voordeel van het uitbaggeren van de rivierbodem is (zoals door ons geopperd in deze bijlage op 15 okt. '92 en 20 jan. '93) dat een tunnel voor de Betuwelijn en een smeerpijp in een extra te baggeren sleuf kan worden afgezonken, zoals dat bijvoorbeeld bij de Maastunnel ook is gebeurd. Dan hoeft "het bloesemende hart' van ons rivierenlandschap niet ontzield te worden door een gigantische dijk van een denderende goederenspoorlijn.

Het vierde voordeel: De synergie en de kostenbesparing van het tegelijk reinigen en verlagen van de rivierbodems en afzinken van de Betuwetunnel met daarin een smeerpijp spreekt meteen tot de verbeelding. Want het geheel lijkt beter, mooier èn goedkoper dan de deeloplossingen zoals die er nu uit zien.

Het tegelijk aanpakken van deze drie dossiers: Betuwelijn, dijkversterking en en baggerspeciebeheer blijkt bestuurlijk niet mee te vallen. Minister Maij-Weggen heeft al gezegd de eerste twee dossiers gescheiden te willen houden en het schoonmaken van baggerspecie een onbegaanbare weg te vinden, net als het daaraan laten meebetalen door onze vervuilende buurlanden.

Het zal niet meevallen deze "drie dossiers samen te voegen'. We schatten de kosten van een gecombineerde oplossing van drie politieke hangijzers: waterbodembeheer, dijkversterkingen en Betuwelijn, in totaal op zo'n vijfendertig miljard gulden. Dat is eenmalig ruim tweeduizend gulden per Nederlander.

Als de rivierbodems toch ooit schoongemaakt moeten worden, als we toch een keer moeten ophouden met het verhogen van rivierdijken, en als die Betuwelijn er toch eens moet komen, dan raden wij aan om snel een serieuze economische studie te laten doen naar deze drie-vliegen-in-een-klap-oplossing.