Hemelwater

Nazaat is hij van de schilder Jeroen Bosch. Charley Bosch, vijfenveertig jaar, kapitein van de Amantia 11, negen meter, zeewaardig - “je kunt natuurlijk ook een zoetwaterscheepje nemen”. Met schip en al begraven worden, dat wil hij. Niet naar de donder gaan, vergaan - “Je onderhoudt je boot” - maar tijdens zijn dood.

Wat hem betreft: zijn bouw is langgerekt en pezig. Zijn huid lijkt getint, de poriën glanzend alsof hij ingesmeerd is met olie. Bijna angstaanjagend is de kracht die hij uitstraalt, kort zwart haar, zijn ogen gloeien, maar zijn stem is kalm, hij glimlacht geruststellend vriendelijk. “Ik ging naar de notaris, ik zei: "zet even vast dat als ik dood ben de wc-stop eruit getrokken moet worden'. Het is een onderwatertoilet. Het schip loopt vanzelf vol. Daar gaat een klein uur mee heen, tijd zat voor de matroos om er af te springen. Het liefst op de Vikingbank, dat vind ik gewoon fijn, ik ben een halve Viking. Ik ben geen zoetwaterpiraat. Ik heb die film gezien Wie betaalt de veerman, die film heeft indruk op me gemaakt. Als ik de zee zie zal ik hem begroeten met een slok zout water, ik zal zeggen: "Hallo hier ben ik weer'.

“Ik heb mijn hart en mijn ziel aan de zee gegeven, die mag me hebben. Bij de poort van het hiernamaals moet je tol betalen, dat doe je met een penning. Dat doe ik met de penning die ik om mijn hals draag, met aan de ene kant de beeldenaar van Spartacus en aan de andere kant een Griekse galei. Het mooiste zou zijn als ik een penning met Odysseus zou kunnen bemachtigen. Ik heb een Spartaans leven gehad, maar ach, we zijn allemaal slaven.”

Maar Charley, vraag ik, mag dat wel, op die manier. “Ja, want dan is je boot een doodskist, en dan ligt het buiten de territoriale wateren. Er moet wel een sleepboot aan te pas komen, de Hollandse vlag achterop. Een krans op het water, een laatste groet en zinken met die handel. Punt is dat die vissers daar, die ik allemaal ken, met vier en een halve ton staal in hun netten blijven zitten en de olie die loskomt.”

Hoe weet je nou dat je op je schip je laatste adem zult uitblazen? “Ik heb een bepaald voorgevoel dat mij mijn hele leven achtervolgt, ik weet precies de dag waarop ik zal sterven, dat is de reden dat ik geadopteerd ben door de Mohawks, een Indianenstam, ik ben hun spiritueel medium. Kijk, ze brandden met een mes zeven strepen op mijn gezicht. Ik sta tussen de doden en de levenden.” Ja, op zijn gladde voorhoofd zie ik de littekens, uitwaaierend als een veren hoofdtooi vanaf zijn neuswortel. Hij vertelt dat hij bij ze heeft gewoond. Dit specifieke ritueel vindt één keer in de tien jaar plaats. “Uit mijn mond komt wat de doden zeggen. Je wordt in trance gebracht, je moet helemaal zuiver zijn, geen vast voedsel, alleen water drinken. Ik draag een Taka, een ketting, een spirituele ketting, die je krijgt na het volbrengen van een opdracht. Ik heb ook bij de Necota-Indianen gewoond, sommige mensen zeggen Sioux, maar dat is een scheldnaam, door de Fransen bedacht.” Charley Bosch toont mij een foto. “Zie je die jongen met dat lange zwarte haar en dat beschilderde lichaam? Dat is mijn bloedbroeder, ik noemde hem Sonny, ik heb drie dagen met hem gedanst.” Schuchter vraag ik of het voor zijn vrouw niet erg veel droefheid zou zijn om en haar man en zijn schip op hetzelfde moment te verliezen.

Charley aarzelt: “Misschien ben ik te onbesuisd geweest, Mary wil het schip wel houden. Ik heb eens een vriend gehad waar het precies andersom ging, zijn vrouw wilde een huis. Jarenlang had hij aan zijn schip gewerkt, een klipper, dat schip was zijn liefde. Een gigantische motor zat er in, maar het kon ook zeilen, hij verdiende met chartervaarten geld, om de kosten te dekken van het restaureren, maar zijn vrouw was onverbiddelijk, ze wilde een huis. Hij kon kiezen, een huis of een scheiding. Toen heeft hij zich verhangen, op zijn schip. Toen Mary en ik op bedevaart waren in België is het huis van mijn Mary afgebrand, en Sidney mijn hond vond de dood. Ik heb alleen nog dat schip. Wil je het nalezen in mijn logboek? Ik houd al tien jaar een logboek bij. Mijn vrouw zei, het is toch zonde van die boot, kan het niet in jute en dan over de kant heen leggen, op het luik. Ze bedoelde hoe ik begraven zou worden. Ze houdt van ons schip. Misschien geef ik toe, ga ik weer naar de notaris, als ik maar op die plek in de zee gedumpt word, visvoer.”