Detectoramateurs "verwoesten bodemarchief niet'

ZALK, 15 APRIL. Het zijn sombere tijden voor Ruud de Heer. Sinds vijftien jaar speurt hij gewapend met een metaaldetector de Nederlandse bodem af naar voorwerpen uit vervlogen eeuwen, maar de kans bestaat dat hij in zijn vrijheid wordt beknot nu Nederlandse archeologen in navolging van andere Europese landen paal en perk willen stellen aan het zoeken met een detector. “Ik voel me bedreigd in mijn hobby,” zegt De Heer.

De 42-jarige detectorhobbyist woont in het Overijsselse dorp Zalk, in een boerderij in de uiterwaarden van de IJssel. Met smaak vertelt hij over de vondst van zijn leven: anderhalf jaar geleden ontdekte hij dat onder een weiland van een Oldenbroekse boer een twaalfde-eeuws kasteel moest liggen. Hij zag een bult in het landschap die, eenmaal omgeploegd, een schat aan voorwerpen bleek te bevatten zoals Jacobakannetjes, driehonderd haakbuskogels en dertig veertiende-eeuwse zilveren munten. Na bestudering van oude RAF-luchtfoto's kwam hij vervolgens tot de conclusie dat die de contouren van een slotgracht aangaven. Hij meldde zijn vondst aan bij de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) in Amersfoort, werd met zijn vondst gefeliciteerd. Wellicht komt het nog eens tot een opgraving. De boer heeft er geen bezwaar tegen.

Het resultaat van vijftien jaar speur- en graafwerk ligt intussen in De Heers uitpuilende vitrine: een Kampense lakstempel uit 1498, vijftiende- en zestiende-eeuwse zonnewijzers, rammelaars, bikkels, een koperen bellenblaaspijpje, een dertiende-eeuws mosterdschaaltje, Romeinse fibula's, pijlpunten en de loden kern van een houten kloot uit Twente voor het spel klootschieten. Een tweede vitrine bulkt van het zilver: een Keltische armband, een zwavelstokjesdoosje, een portemonnaie, een snuifdoos. “Ik heb me altijd geïnteresseerd voor alles wat oud was,” zegt de 42-jarige De Heer.

Ruud A.M. de Heer, die overigens ook in oude kaarten en detectors handelt, behoort tot het leger van ongeveer 30.000 detectorbezitters in Nederland. Naar schatting 5.000 van hen zijn regelmatig zoekende, en zijn daarmee een doorn in het oog van de archeologen die erop wijzen dat door ondeskundig graafwerk het Nederlandse bodemarchief onherstelbare schade wordt toegebracht. Met name directeur W.J.H. Willems van het ROB is voorstander van het aanscherpen van de regels. “Er moet een vergunningstelsel komen vergelijkbaar met dat voor vuurwapens,” zegt Willems. “Wat detectorhobbyisten doen is te vergelijken met wanneer iemand in een rijks- of gemeentearchief een bladzijde scheurt uit een foliant en die meeneemt naar huis. Het archeologische bodemarchief van Europa wordt op een afgrijselijke manier geplunderd. Het lijkt wel een sprinkhanenplaag.”

Naar de letter van de Monumentenwet uit 1988 is het verboden om zonder schriftelijke vergunning van de minister opgravingen te doen, dat wil zeggen naar "alle voor tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde.' Dus zoeken mag maar graven niet - tenzij met het oogmerk iets te vinden dat geen monument is, bij voorbeeld muntgeld dat na een zonnige dag op het strand is achtergebleven. Op een conferentie over het culturele erfgoed in Europa vorig jaar op Malta sloten de ministers van landen aangesloten bij de Raad van Europa een verdrag dat gebruikers van grond aansprakelijk stelt voor schade aan het erfgoed, maar dit verdrag is nog niet in de Nederlandse wet geïmplementeerd en van een specifieke toepassing op het zoeken met detectoren, dat in 1970 in de mode raakte, is nog geen sprake. In Frankrijk, Oostenrijk en de Scandinavische landen is voor het bezit van metaaldetectoren inmiddels een vergunning verplicht. Het liefste zou ROB-directeur Willems het bezit van een detector willen voorbehouden aan mensen met een "brevet van vermogen', waaruit blijkt dat ze te goeder trouw zijn en kennis van zaken hebben en bekend zijn in kringen van amateurarcheologen. Willems: “Ik wil niemand zijn hobby afpakken, maar wel zou ik willen dat detectorhobbyisten lid werden van een vereniging voor amateurarcheologie. Archeologen leggen geen postzegelverzameling aan. Een voorwerp is voor ons alleen interessant als het iets zegt over het verleden. Op een enkel moment kunnen voorwerpen, los van de vindplaats, een intrinsieke waarde krijgen, en dat is ook meestal het moment waarop museumdirecteuren zwak in de knieën worden. Maar ik ben geen museumdirecteur. Ik ben verantwoordelijk voor het het behoud van het archeologische erfgoed.”

Directrice M. Scharloo van het Koninklijk Penningkabinet in Leiden is het met ROB-directeur Willems eens: “Het bodemarchief moet met rust worden gelaten. Daarom is het een goede zaak dat het bezit van detectoren wordt gekoppeld aan een vergunningstelsel.”

Hoe het speuren en graven der "sprinkhanen' in zijn werk gaat wordt in handboeken tot in de details beschreven. Nuttig en informatief is bijvoorbeeld Succesvol zoeken met de metaaldetector van Gert Gesink (1991, uitg. Detect, Enschede), waarin de optimale zwaai- en graaftechnieken worden behandeld. “Tijdens het zoeken zwaai je de detector heen en weer. Daarbij moet je zoveel mogelijk de schijf op dezelfde hoogte boven de grond laten zweven: tussen 0 en 2 cm. Een beweging waardoor je veel voorwerpen mist, is het onbewust optillen van de detector aan het eind van een zwaai. (-) Misschien verbaas je je over de kleine schopjes die we doorgaans voor het graafwerk gebruiken. Mijn eigen schopje is nog geen 60 cm lang, heeft een voetsteun, en een blad van 15 cm bij 10 cm. De praktijk wijst uit dat deze schopjes in de meeste gevallen het geschiktst zijn. (-) Maak de gaten altijd weer dicht en laat alsjeblieft geen rommel achter, wees ervan bewust, dat je de detectorhobby op een positieve manier dient te vertegenwoordigen!”

Om de weerzin onder archeologen tegen detectorhobbyisten het hoofd te bieden, richtte Ruud de Heer met anderen een half jaar geleden De Detector Amateur op, een vereniging die het imago van illegale schatgraver wil wegpoetsen en een dialoog met archeologisch Nederland wil aangaan. Leden van de vereniging mogen niet op opgravingen en beschermde monumenten komen, ze moeten toestemming vragen aan de grondeigenaar, alle vondsten melden bij de gemeente en belangrijke vondsten ook bij het ROB en het Koninklijk Penningkabinet. Wie zich daar niet aan houdt wordt geroyeerd. De Heer: “Wij zijn wat de kraai voor de natuur is. Wij halen trekringetjes en ijzer uit de bodem en dienen daarmee het milieu, en ook waardevolle voorwerpen die door de verzuring en de bemesting over tien jaar volledig zouden zijn weggerot. Willems moet ons met rust laten. Wij zoeken alleen in geroerde grond, dat wil zeggen grond die door een ploeg of een graafmachine al is omgewoeld. Het bodemarchief wordt niet door ons verwoest. Wij zijn geen rovers. Wij doen vondsten die anders nooit gedaan zouden zijn. Wij hebben in onze gelederen een kennis opgebouwd waar menig archeoloog een puntje aan kan zuigen.”