De geur van een leraar

"Als je een stagiair goed wilt begeleiden dan kost dat ongelooflijk veel tijd'', zegt schoolhoofd Kees Verheul van de Utrechtse basisschool De Kleine Dichter. ""Eigenlijk neem je voor een deel het werk over van de PABO.'' Verheul wil best uitleggen waarom hij voorlopig geen stagiairs van de lerarenopleiding meer neemt. Hij is teleurgesteld in het niveau van de aankomende meesters en juffen en hij zou niet weten waar hij de tijd vandaan moest halen om er "echte onderwijzers' van te maken. ""Ik doe al meer dan voldoende vrijwilligerswerk. Dag en nacht ben ik met dit schooltje in de weer, soms voel ik me een halve straathoekwerker.'' Als pas gediplomeerde leraar werd Kees Verheul indertijd zonder enige begeleiding voor een combinatieklas met 45 kinderen gezet. Geen lolletje, herinnert hij zich, maar "de kweek' waar hij vandaan kwam was wel een degelijke voorbereiding op het onderwijszersvak. Dat kan hij lang niet altijd zeggen van de huidige PABO's (pedagogische academies voor het basisonderwijs). Verheul deelt in grote lijnen de kritiek die de visitatiecommissie twee maanden geleden in haar rapport over de kwaliteit van de lerarenopleiding neerlegde: PABO's spelen niet voldoende in op de problemen die zich in de dagelijkse praktijk van het basisonderwijs voordoen - studenten worden bijvoorbeeld onvoldoende voorbereid op het werken met allochtone leerlingen - en ze zijn theoretisch te weinig onderlegd. Wat schoolhoofd Verheul nog het meest mist bij stagiairs en afgestudeerden van de PABO is het overzicht op de leerstof. Hoe zorg je dat een rooster er evenwichtig uitziet, wanneer zit een dag goed in elkaar, hoe bouw je een rekenprogramma op in groep vijf? ""Wat ze tijdens hun stage moeten doen is hap-snapwerk'', luidt de kritiek van Verheul, ""een blokje rekenen hier en een blokje taal daar. Het zijn allemaal losse onderdelen, er wordt nergens naar toe gewerkt.''

Daarnaast vindt Kees Verheul dat de theoretische achtergrond van veel PABO-studenten onvoldoende is. ""Ze weten niet hoe een kind tot schrijven en spellen komt, welke motorische fasen het doormaakt of hoe het getalsbegrip zich ontwikkelt bij jonge kinderen.'' De grootste fout die ze bij de lerarenopleiding hebben gemaakt is volgens Verheul dat ze de toelatingseisen hebben versoepeld in plaats van verscherpt. ""Een gymnasium- of atheneumleerling tref je zelden aan op de PABO. En dat is heel jammer voor het basisonderwijs.''

Inmiddels is Astrid Zimmerman, leerkracht van groep vier, er ook bij komen zitten. Ze was stagiair op basisschool De Kleine Dichter en sinds twee jaar is ze gediplomeerd. ""Ik heb veel lol gehad op de PABO, maar ik heb er weinig geleerd'', zo luidt het weinig vleiende oordeel over haar beroepsopleiding. ""Je weet wat kinderen zijn en hoe ze er uit zien, maar in de klas gaat het grote werk pas beginnen.'' Dat ze toch op deze basisschool aan de slag kon, komt omdat schoolhoofd Verheul zegt te kunnen "ruiken' wie een echte goeie is voor het onderwijs. "'Ze heeft het in zich om zich in de praktijk tot een goede leerkracht te ontwikkelen. De voeling die ze met de leerlingen heeft, je ziet het gelijk.'' Maar toen Astrid dit schooljaar voor het eerst een eigen groep kreeg was ze binnen de kortste keren de overspannenheid nabij. Kees Verheul kwam regelmatig bij haar in de klas zitten en heeft haar die eerste maanden intensief begeleid. ""Het was een soort stoomcursus'', legt hij uit. ""Ik lette op alles: taalgebruik, bordwerk, de regels in de klas, de zithouding van de kinderen, hoe de lessen in elkaar staken, hoe het programma van een dag eruit zag. En bij alles vroeg ik haar: waarom pak je het zo aan?'' Astrid knikt bevestigend: ""Ik ben wijs geworden hier op school, niet op de PABO.'' De ervaring die ze tijdens haar stage opdeed met allochtone leerlingen kon ze nauwelijks kwijt in haar opleiding, want haar klasgenoten hadden allemaal op witte scholen gezeten. Ze moest zich zelfs verantwoorden toen ze iets extra's wilde doen aan leerlingen in achterstandssituaties. De grootste schok voor Astrid was wel dat ze op school niet alleen met kinderen te maken kreeg maar ook met hun ouders. ""Daar was ik totaal niet op voorbereid'', vertelt ze. ""Het waren voor mij vreemde figuren waar ik eigenlijk een beetje bang voor was.''

Kees Verheul vindt dat zijn leerlingen gezien hun weinig riante achtergrond recht hebben op het beste onderwijs. Er moet iemand voor de klas staan die foutloos Nederlands spreekt en hij heeft geen tijd om een stagiair na schooltijd nog eens de "dt-regels' uit te leggen. Hoe noodzakelijk het ook is dat er leerkrachten van allochtone afkomst worden opgeleid, Verheul vindt het een slechte zaak als de PABO Turkse studenten aflevert die de Nederlandse taal niet machtig zijn. ""Die jongens en meisjes worden gewoon belazerd, want waar krijgen ze een baan? Ik moet er in elk geval niet aan denken dat ik zo iemand hier voor de klas heb staan.''