Concurrentiebeleid

Wil een markteconomie haar naam waarmaken, dan is het van wezenlijk belang dat de prijzen van goederen en diensten soepeltjes op en neer kunnen bewegen. Dat ze omhoog gaan als de gevraagde hoeveelheid groter is dan de aangeboden hoeveelheid. En omlaag in het omgekeerde geval. De gestegen prijs is dan voor de producent een signaal om de produktie van het desbetreffende goed te vergroten. Bij prijsdaling moet hij zijn produktie inkrimpen en soms zelfs zijn zaak sluiten.

In de werkelijkheid loopt het heel vaak minder fraai. Menig producent laat zich liever niet door de markt dicteren wat hij moet doen. Als het even kan, bepaalt hij graag zelf hoe hij zijn produktie inricht. Sommige ondernemers verkopen een zo bijzonder produkt dat er bijna geen vervanger voor te vinden is. Hun monopolie(achtige) positie geeft ze macht op de markt. Ze kunnen zelf hun verkoopprijs bepalen. En naarmate hun klanten afhankelijker zijn van hun produkt, kunnen ze de prijs opvoeren. Monopolies zijn vrij zeldzaam. Meestal zijn wel een paar concurrenten te vinden die een min of meer geschikte vervanger op de markt brengen. In zo'n situatie waar een beperkt aantal concurrenten de markt bedient (een oligopolie) houden de aanbieders elkaars verkoopprijs scherp in de gaten. Verlaagt een van hen zijn prijs, dan zullen de anderen merken dat hun afzet terugloopt. Ze reageren door ook hun prijs te verlagen. Waarop de eerste aanbieder nog een stapje omlaag gaat, enzovoort. Zo kan een prijzenoorlog ontstaan waarbij ten slotte alleen de aanbieder met de langste financiële adem overeind blijft.

De onzekerheid over elkaars reacties en de vrees voor deze cut-throat competition leiden er nogal eens toe dat ondernemers afspraken met elkaar maken om op bepaalde terreinen niet met elkaar te concurreren, de mededinging te beperken. Deze regelingen worden ook wel kartels genoemd. Er zijn onder andere prijskartels, verkoopvoorwaardenkartels en rayonkartels. Bij de laatste wordt de markt geografisch opgesplitst: A bedient het noorden van het land, B het midden en C het zuiden.

Het uitschakelen van de concurrentie kan producenten een machtspositie op de markt geven waarvan consumenten nadeel ondervinden. Prijzen zijn hoger dan bij vrije concurrentie. Er worden klant-onvriendelijke verkoopvoorwaarden opgelegd.

Een overheid die waarde hecht aan een levendige concurrentie, kan dit niet laten passeren. De voor de hand liggende reactie lijkt: verbied regelingen die mededinging beperken en splits monopolies op in kleinere eenheden. Deze voortvarende aanpak is met name in de VS toegepast. Maar die benadering heeft ook bezwaren. Ten eerste blijken grote machtige ondernemingen heel veel bij te dragen aan speur- en ontwikkelingswerk. En dat levert allerlei nieuwe produkten op waar consumenten wel degelijk plezier van hebben. Hak je die grote aanbieders in stukjes, dan gooi je vaak het kind met het badwater weg. Ten tweede: mededingingsregelingen zijn niet alleen maar verderfelijk. Soms kan een teveel aan concurrentie uiteindelijk nadelig uitpakken voor de consument. Als na een felle concurrentiestrijd één aanbieder overeind blijft, heeft die zich een monopoliepositie verworven. Dat is het paradoxale van concurrentie: te weinig is niet goed maar te veel ook niet. Het is de kunst een middenweg te vinden; die van de zogeheten werkzame concurrentie (workable competition).

Een overheid kan op twee manieren concurrentie- of mededingingsbeleid voeren. Ze kan kartels en economische machtsposities verbieden, tenzij kan worden aangetoond dat ze een consumentenbelang dienen (verbodswetgeving). Of ze staat kartels in principe toe, tenzij blijkt dat ze in strijd zijn met het algemeen belang. En ze treedt pas op tegen economische machtsposities als er misbruik van wordt gemaakt (misbruikwetgeving).

De meeste Europese landen hebben een verbodswetgeving en ook het EG-mededingingsbeleid gaat van een verbod uit. Maar de Nederlandse Wet Economische Mededinging (WEM) kent het tweede systeem. Daarbij moet misbruik worden aangetoond en dat vraagt om actie van benadeelde personen, ondernemingen of de overheid. Onze overheid heeft zich de afgelopen decennia bepaald niet het vuur uit de sloffen gelopen om misbruik en strijd met het algemeen belang aan te tonen. Nederland is wel eens een kartelparadijs genoemd. En dat was niet als compliment bedoeld.

Maar het beleid verandert ingrijpend. Naarmate de integratie van de Europese economieën vordert, bemoeit de Europese Commissie zich intensiever met de concurrentie tussen Europese ondernemingen. En Europese wetgeving staat boven nationale wetgeving. De onderzoeksteams uit Brussel hebben al een zekere faam gekregen. Voor dag en dauw duiken ze onaangekondigd de administratie van ondernemingen in. En als het mis is, worden forse boetes opgelegd.

De acties van de Europese Commissie hebben in Den Haag weerklank gevonden. Staatssecretaris van economische zaken Van Rooy is voortvarend bezig de Nederlandse wetgeving aan de Europese aan te passen.

Met ingang van 1 juli wordt het Besluit Horizontale Prijsbinding van kracht. Dan zijn prijskartels verboden, tenzij ontheffing is verkregen. En die wordt gegeven als de afspraken bepaalde, precies geformuleerde grenzen niet te boven gaan. Het kartelparadijs staat op de tocht.