China, een kapitalistisch systeem zonder remmen

Hollende groei, knelpunten in de infrastructuur en oververhitting in menig bedrijfstak kenmerken de Chinese economie en de bureaucratie staat machteloos. Voortgangsbericht over "het meest kapitalistische systeem ter wereld'.

Het aangezicht van China verandert zo adembenemend snel dat men zich na een afwezigheid van een paar weken op elk straathoek afvraagt: “Was dit er vorige maand al?” Een cluster bouwvallige grijze huisjes is plotseling veranderd in een rij glimmende boetieks. Het zoveelste nieuwe vijfsterren-hotel, ditmaal van de Scandinavische luchtvaartmaatschappij SAS, werd dezer dagen geopend. Socialistische warenhuizen oude stijl zijn ijlings aan het verbouwen en verfraaien sinds de komst van Japanse en Hongkong-ketens hun monopolie heeft gebroken. Sommige winkels en luxe restaurants zijn 's avonds - tot acht of negen uur - al even overdadig verlicht als de casino's van Las Vegas.

Steeds meer wegen worden opgebroken om ongelijkvloerse kruisingen aan te leggen. De tienduizenden staats-Toyota's, type Crown, moeten om de overvolle wegen vechten met de nieuw gelanceerde zwermen lokale kleine auto's (Tianjin 7100 en Tianjin Daihatsu); in merendeel taxi's, waar Chinezen nu in even grote aantallen inspringen als buitenlanders. Op elk kruispunt wemelt het van de politiemannen, maar niemand stoort zich aan enige regel, het minst de agenten zelf. Voetgangers kijken niet verder dan een meter vooruit, fietsers twee meter en automobilisten hooguit vijf. Pas op het allerlaatste moment wordt gestopt. Vaak zit het verkeer op elkaar als een troep rugby-spelers. Een Chinese vriend merkte hierover grinnikend op dat China, wat het verkeer betreft, het vrijste land ter wereld is. Hetzelfde geldt ook steeds meer voor de economie.

Iedereen is in een staat van opwinding over de nieuwe vrijheden en lijkt vastbesloten om de schade van de afgelopen veertig jaar (economische) vrijheidsberoving in te halen. Bij het "terugroven' lijken alle middelen toegestaan. In het verkeer duwt, fietst en rijdt iedereen verbeten volgens eigen plan, zonder enige coördinatie. Het resultaat is enorme opstoppingen, afgewisseld door de ergste vormen van wegpiraterij. Het verkeersgedrag is illustratief voor alle vormen van menselijke activiteit in China, inclusief de economie. De verkeersagenten doen niks, want er is geen beginnen meer aan.

Hetzelfde geldt voor de economische bureaucraten, geconfronteerd met hollende groei, infrastructurele knelpunten en "oververhitting' in vele sectoren. De oude methodes van staatsdirigisme werken niet meer, want daarvoor is de vrije markt al te ver gevorderd. En wat macro-economisch reguleren is, daar zijn zij nog niet achter. De overheid laat de economie steeds meer op haar beloop.

“China heeft het meest kapitalistische systeem ter wereld. Het is ontzettend pro-business”, zegt de economisch specialist van een internationale bank te Peking. Hij zegt dat alles bespreekbaar is en dat de Chinese regering - net als de regering van Taiwan twintig jaar geleden - juridische adviseurs van buitenlandse investeerders vraagt of nieuwe handels- en economische wetsontwerpen wel flexibel genoeg zijn.

De bankier-econoom, die zijn naam niet vermeld wil hebben, zegt dat de flexibiliteit zover gaat dat nauwelijks wordt opgetreden tegen de talrijke zogenaamd verlieslijdende staatsbedrijven, die alleen verliezen boeken om inkomstenbelasting te ontduiken. Hij beweert dat dit ook bij 40 procent van de joint ventures van Chinese en buitenlandse bedrijven het geval is. Wèl houden ze hun winsten in China. Die investeren ze in de onroerend-goedsector in het zuiden, wellicht de meest winstgevende investeringslokatie ter wereld.

Belastingontduiking is slechts één verklaring voor de geringere rol die de Chinese overheid speelt in de economie. De regering streeft ernaar haar directe controle over de planeconomie te laten evolueren naar macroregulering van de markteconomie. Ze doekt steeds meer bureaucratische instanties op, die ter compensatie blanco volmacht en leningen tegen minimale rente krijgen om particuliere handels- en financieringsmaatschappijen op te zetten - ook als zij geen enkele economisch-commerciële achtergrond hebben. Vaak verliezen zij dit kapitaal, maar ze worden daarvoor niet verantwoordelijk gesteld wegens hun goede politieke relaties. Vandaar dat vele Chinezen over het nieuwe stelsel spreken als een "socialistische relatie-economie' in plaats van een socialistische markteconomie.

Pag 20: Oververhitting is onbespreekbaar

Niettemin is er ook "privatisering van het management' van kleine en middelgrote staatsbedrijven. Het beheer van staatsbedrijven is te koop op veilingen, maar de eigendom blijft in handen van de staat. De manager moet het bedrijf winstgevend maken en belasting betalen over de winst, die daarna geheel voor hem is.

Verder is er uit het niets een enorme privé-sector opgekomen, van regeringswege gestimuleerd omdat die de beste belastingbetaler is. Het persbureau Nieuw China meldde eerder deze week in een uitvoerig bulletin over de privé-sector dat er in het jaar 2000 30 miljoen privé-ondernemingen zullen zijn met 50 miljoen man personeel, die 600 miljard yuan (tegen de officiële wisselkoers 200 miljard gulden) aan omzet zullen produceren, ofwel 20 procent van het BNP.

Het maandblad China Digest schatte vorige maand dat het aantal miljonairs in China de één miljoen al overschrijdt en voegde eraan toe dat dit een "zeer conservatieve schatting is. De nieuwe miljonairs zijn grotendeels privé-ondernemers die de dozijnen golfbanen rondom de grote steden frequenteren. Beroemde popartiesten en filmsterren zijn een belangrijke minderheid.

De meest produktieve sector van de Chinese economie blijven echter de plattelandsondernemingen, voortgekomen uit het surplus-kapitaal van rijke boeren. Zij zijn het krachtigst in de kustprovincies en vormen daar, vaak versterkt met investeringen uit Hongkong en Taiwan, de motor achter China's spectaculaire export-hausse. De exportgroei wordt nu overigens wat minder omdat de binnenlandse vraag niet bij te benen is.

De nationale groei van 12,8 procent vorig jaar is bescheiden vergeleken bij de supergroei in de kustgordel, waar elke provincie de omvang van een groot Europees land heeft. Volgens een recent Wereldbank-rapport was de groei in de zuidelijke, aan Hongkong grenzende provincie Guangdong (62 miljoen inwoners) vorig jaar 18,7 procent; in Fujian (30 miljoen inwoners), de provincie tegenover Taiwan, 16,3 procent; in Zhejiang (55 miljoen inwoners), de provincie ten zuiden van Shanghai, 17 procent; en in de stad Shanghai (13 miljoen inwoners), die onevenredig veel aan de centrale schatkist moet afdragen, 14,4 procent. De kroon spant de provincie Jiangsu (65 miljoen inwoners) ten noorden van Shanghai, waar langs de noordelijke oever van de Yang Tse-rivier een 300 kilometer lange gordel van hoog-geïndustrialiseerde steden tot aan Nanjing toe ligt. De groei daar was 27 procent. In Shandong (81 miljoen inwoners), de provincie ten noorden daarvan, was het 16,9 procent. Deze gordel van kustprovincies groeide drie-, viermaal zo snel als de armere gebieden meer landinwaarts, die toch nog een groei van 5 tot 6 procent haalden. Als een groei van 27 procent in een economie van 65 miljoen mensen geen oververhitting is, wat is daarvan dan de definitie? Volgens buitenlandse economen is de Chinese economie op de climax van een klassieke boom-bust cyclus en is de bust nabij. De traditionele bust, zoals er in de jaren tachtig verschillende zijn geweest, ontstaat als infrastructuur en energiesector de industriële behoeften niet meer aankunnen en de inflatie een riskant niveau bereikt. Volgens officiële cijfers bedroeg de inflatie 6,4 procent in 1992, en neemt ze nu snel toe. De prijsindex steeg met 6,7 procent toe, de kostenindex met 8,2 procent en de kostenindex in de 35 grootste steden met 13,4 procent.

De prominente econoom professor Xiao Zhuoji verwerpt de kritiek van de buitenlanders op de ongebreidelde groei. Hij zegt dat zeer hoge groei redelijk, nodig en verantwoord is, zolang die gepaard gaat met een verbetering van de economische doelmatigheid. Te lage inflatie, vervolgt hij, is juist onverantwoord. “De lage inflatie van minder dan 3 procent in 1990 en 1991 werd bereikt door restrictieve maatregelen en de prijs was lage efficiëntie, langzame ontwikkeling en grote tekorten.”

Een herhaling van de situatie in de zomer van 1988 acht Xiao ondenkbaar. Toen was er een combinatie van oververhitting en 40 procent inflatie, die leidde tot hamsterwoede en het in paniek terugtrekken van banktegoeden. Massale volkswoede over de corruptie van partijfunctionarissen, die de dubbele-prijzenstructuur (een staats- en een marktprijs voor dezelfde soort artikelen) misbruikten om zich te verrijken, culmineerde voorjaar 1989 in de demonstraties die in bloed werden gesmoord.

De situatie is nu heel anders. Oververhitting is slechts sectoraal en regionaal, inflatie is binnen de perken en de twee-prijzenstructuur bestaat nauwelijks meer, aangezien 90 procent van de goederenprijzen nu op de vrije markt wordt bepaald. Corruptie heeft andere vormen aangenomen, die minder aanstootgevend zijn omdat brede lagen van de bevolking ervan meeprofiteren. De wegenverkeerssector is een knelpunt van de eerste orde, maar wordt zeer grootschalig aangepakt. Vice-minister Liu Songjin van Verbindingen kondigde vorige week aan dat er voor het einde van de eeuw 30.000 kilometer nieuwe hoofdwegen moet worden gebouwd, waarvan meer dan 10.000 kilometer noord-zuid en oost-west snelwegen. Liu zei dat het aantrekken van buitenlandse investeringen de enige manier is om zo'n doorbraak in de wegenbouw te bereiken. Zijn ministerie is bezig regels hiervoor op te stellen.

Hetzelfde geldt voor de luchtvaartinfrastructuur; 105 vliegvelden moeten worden vernieuwd of geheel nieuw gebouwd. Daarbij zullen niet alleen buitenlandse adviseurs worden ingeschakeld, maar ook aannemers, vooralsnog alleen uit Hongkong. Tevens is wetgeving in voorbereiding die buitenlands management van vliegvelden en de vele nieuw opgerichte luchtvaartmaatschappijen mogelijk moet maken. Zo groot is het tekort aan vliegtuigen en piloten dat drie Russische Iljoesjins 86 (350 passagiers) met bemanningen zijn aangetrokken voor binnenlandse lange-afstandsvluchten. Ook de de bouw van elektriciteitscentrales zal worden opengesteld voor buitenlandse investeerders en aannemers. Gezien de hyperdynamiek van de kustprovincies en het vertrouwen dat men de infrastructuur- en ander knelpunten aankan, is er absoluut geen wil tot afkoeling. Er zijn ook nog goede politieke redenen niet op de rem te trappen. De provincies luisteren toch niet, en - veel belangrijker - opperste leider Deng Xiaoping (88) heeft instructies uitgevaardigd dat er niet eens over oververhitting mag worden gesproken, omdat orthodoxe marxisten dat gretig zouden aangrijpen om de opmars naar de markteconomie opnieuw te vertragen en obstrueren. Deng decreteerde begin vorig jaar tijdens een spectaculaire reis naar het zuiden een versnelling van de groei en ziet die als de laatste kans van zijn leven om de door hem in 1978 geïnitieerde economische hervormingen met nieuw en blijvend succes te bekronen.

Chinese intellectuelen zien de groei ook als een unieke historische coïncidentie van gunstige binnenlandse en internationale factoren. Tot de internationale behoren de aanhoudende recessie in het Westen, de voorlopige uitschakeling van Rusland als een economische factor en de onbeperkte investeringsbereidheid van de kapitaalkrachtige 55 miljoen Chinezen buiten China. Verder spelen de binnenlandse stabiliteit, althans zolang Deng Xiaoping leeft, en het feit dat de overgrote meerderheid van de Chinezen nu wordt gedreven door de uit Hongkong en Taiwan getransplanteerde "wordt-snel-rijk-filosofie', waarvan het ideologisch afstotingsproces nu onomkeerbaar overwonnen is.

Maar dat betekent niet dat succes gegarandeerd is en dat noodzakelijke verdere hervormingen niet met immense problemen gepaard zullen gaan. Het Chinese hervormingsproces is nog lang niet afgerond. De staatssector besloeg in 1991 nog 55 procent en is afgelopen jaar geslonken, maar de statistieken geven geen nieuw cijfer. De Communistische Partij is vastbesloten een sterke staatssector te behouden als economische basis voor haar politieke macht. Vandaar dat de regering net aan de bezoekende president van de Wereldbank, Lewis Preston, heeft gevraagd het land te helpen een beleid te formuleren om de staatssector winstgevend te maken.

De hoge economische groei is niet alleen te danken aan de wedergeboorte van het Chinese arbeidsethos, maar ook aan een reeks incoherente ad hoc-maatregelen, die niet langdurig houdbaar zijn. Meest irrationele is de subsidiëring van de staatsindustrie die 15 procent van het staatsbudget kost. Verder is sprake van onbeperkte, op politieke gronden verstrekte leningen van staatsbanken aan staatsbedrijven en provinciale en gemeentelijke overheden voor investeringen in speciale ontwikkelings-, high-tech en vrijhandelszones. Als er een tekort aan geld is, wordt het bijgedrukt. De staat zit verder met een enorm tekort, omdat het belastingsysteem niet werkt wegens corruptie en incompetentie. Het tekort moet grotendeels worden aangezuiverd door de centrale bank, door werknemers te dwingen een deel van hun loon in staatsleningen te steken, door verkoop van aandelen in staatsbedrijven op de twee effectenbeurzen, en voor de rest met buitenlandse leningen.

De subsidiëring is primair bedoeld om verlieslijdende staatsindustrieën draaiend te houden en zo massa-ontslagen en sociale onrust te voorkomen. De goedkope leningen aan staatsbedrijven worden dan ook "leningen ter handhaving van de sociale stabiliteit' genoemd en ze worden doorgaans niet terugbetaald. Een recent rapport van de centrale bank, de "Volksbank van China', wees uit dat 46 procent van dit soort leningen bedrijven draaiend houdt die goederen produceren waarvoor geen markt is. Het top-management van de Volksbank heeft tijdens het recente Volkscongres voorgesteld om de (subsidie-)banken voor "politieke leningen' af te splitsen en de gespecialiseerde banken geheel te commercialiseren. Maar aangezien bankdirecteuren over het hele land decennialang gewend zijn geweest partijsecretarissen te gehoorzamen, zijn zakenlieden niet optimistisch dat de commercialisering snel een feit zal worden. China's export-boom is voor een belangrijk deel te danken aan voortdurende exportsubsidies en herhaalde "concurrerende' devaluaties. Die maakten de export irrationeel goedkoop, maar de munteenheid, de renminbi yuan, uiterst onstabiel. Wang Deyan, president van de Bank of China, de buitenlandse arm van de Centrale Volksbank, zei dezer dagen dat instabiliteit van de yuan meer negatieve dan positieve effecten had gehad. Eén van die negatieve effecten is dat het handelsoverschot met de Verenigde Staten er nog verder door is toegenomen. Dat maakt de kans op nieuwe Amerikaanse sancties, vertraging van China's toelating tot de GATT en verbinding van voorwaarden aan de verlenging van China's status als meest begunstigde handelsnatie (MFN) groter.

Het grootste probleem is wellicht het tekort aan economische expertise in de top-echelons van de regering. Een internationaal economisch adviseur, die anonimiteit verzocht, constateert dat in de meeste Aziatische landen, van Korea tot Indonesië toe, verscheidene topeconomen in het kabinet zitten. “Hier is er niet een. Het zijn allemaal ingenieurs, de meeste met een Russische achtergrond. Zij hebben geen idee wat een markteconomie is. Ze willen blijven controleren, maar de oude methodes werken niet meer. De Staatsplan Commissie, het ministerie van financiën, de centrale bank, de fiscus - het werkt allemaal los van elkaar. Er is geen gecoördineerd systeem van macro-economische controle. Zoiets hoort te zijn als een concert: iedereen speelt zijn eigen partij, maar alles is fijn op elkaar afgestemd. Dat spel dirigeren, dat kunnen ze niet. Ze hebben geen idee wat er aan de hand is.”

De econoom heeft wel een hoge pet op van Zhu Rongji, de uiterst reformistische vice-premier die de nieuwe "Staatscommissie voor Economie en Handel' leidt. “Hij heeft niet de ervaring, maar wel het juiste instinct. Hij mist echter een staf die het begrijpt en hij mist politieke macht. Al die andere heren spelen hun eigen politieke spelletjes.”

Die politieke spelregels zullen ingrijpend veranderen als opperste leider achter de schermen Deng Xiaoping, die in augustus 89 moet worden, de arena voorgoed verlaat. Nog geen enkele machtswisseling in de 20e-eeuwse Chinese geschiedenis is ordelijk verlopen. Een recent rapport van de Amerikaanse ambassade verwacht dan ook “dat "ideologische' sluipschutters na Dengs dood weer een tegenaanval op het hervormingsproces zullen lanceren”. Maar dat het proces in gevaar is, aldus het rapport: “Neen”.