Amos Oz: Israel als een groot ongelukkig gezin; Israelisch auteur over zijn nieuwste roman; "Ik woon op de helling van een vulkaan'

De Derde Toestand, Meulenhoff, ISBN 90 290 2829 7, Blz.: 334, ƒ 39,50

De Israelische auteur Amos Oz was in Brussel, waar hij sprak over zijn zojuist in vertaling verschenen roman De Derde Toestand en Israels politieke situatie.

“Als ik in één woord moet samenvatten waar al mijn romans over gaan, dan zou ik zeggen: het gezin. Ik vind het gezin het meest mysterieuze instituut van de wereld. En het meest surrealistische. Er is iets heel raadselachtigs aan de relatie tussen echtgenoten, tussen kind en ouders, tussen broer en broer.”

“Samenlevingen zijn niets anders dan uitgebreide, vaak ongelukkige gezinnen. Daarom schrijf ik er graag over, omdat ze zo intens zijn, zo vol tegenstellingen. Omdat ze zo tragisch, maar ook grappig zijn.”

De Israelische schrijver en intellectueel Amos Oz brengt een bliksembezoek aan Brussel. 's Middags zit hij ontspannen in zijn hotelkamer en vertelt goedlachs maar serieus over zijn jongste boek, De Derde Toestand, over zijn schrijverschap en over de politieke situatie in Israel en het Midden-Oosten. 's Avonds zal hij, sprekend voor een volle zaal, feller klinken, met zijn armen zwaaien en met zijn vingers in de lucht priemen. Maar ook dan komt het gezin herhaaldelijk ter sprake. “Ik ben 34 jaar getrouwd, en ik vind dat iedereen die 34 jaar getrouwd is een medaille moet krijgen”, houdt hij de zaal halverwege zijn lezing lachend voor.

De Derde Toestand verscheen begin deze maand in de Nederlandse vertaling bij Meulenhoff. “De hoofdpersoon”, vertelt Oz, “is een man die een hekel heeft aan besluiten nemen en kiezen. Als je hem vraagt of hij thee of koffie wil denkt hij twee minuten na en zegt dan: "Vul m'n glas met allebei'. Want thee is lekker, maar koffie is ook lekker en hij wil niemand voor het hoofd stoten.” Die houding wordt bedoeld met de titel van het boek, in het Hebreeuws: Hamatsav hasjlisji. “Het refereert aan een zeker aspect van de joodse mystiek, een toestand van harmonie waar je geen besluiten hoeft te nemen. Waar alle besluiten, alle tegenstellingen er zelf voor zorgen dat ze overeenstemmen.”

“Dit is bijvoorbeeld het geval bij de vrouwen met wie Fima, de hoofdpersoon, gelijktijdig een verhouding heeft. Hij wil niet kiezen. Hij vindt ze allemaal aardig en zij vinden hem aardig. En in De Derde Toestand zullen ze ook elkaar aardig vinden omdat ze allen vrienden van hem zijn. Het is geen roman over het vinden van De Derde Toestand, maar over het ernaar zoeken, over het verlangen ernaar. Het gaat over een goede man die geen goed kan doen vanwege een zekere intellectuele verlamming: hij kan van alles beide kanten zien. En hij kan sympathiseren met beide kanten.”

Is dat goed of slecht?

“Ah. Nu dwing je mij in de derde toestand! Het is een mènselijke situatie. We moeten allemaal kiezen en besluiten nemen, maar diep in ons hart zouden velen van ons het liefst alle mogelijkheden kiezen. Nee, ik beschrijf het niet als een goede of een slechte zaak. Ik beschrijf het wel als een verlammende situatie.” Het niet-kiezen heeft in het boek niet alleen betrekking op morele of politieke dilemma's. Oz: “Ik denk dat het ook een grappig verhaal is. De hoofdpersoon is een soort provinciale Hamlet: als hij naar het toilet gaat vraagt hij zich af: "to pee or not to pee'.”

Een van de relaties die in De Derde Toestand wordt beschreven is die tussen vader en zoon. Fima is een linkse intellectueel, geobsedeerd door de politiek, met een rechtse vader. Net als Oz zelf. Als kind liet hij het rechtse milieu van zijn ouders voor wat het was en vertrok naar een kibboets. Hij studeerde filosofie en literatuur, was een van de oprichters van de Vrede Nu-Beweging en prikt nu al zo'n dertig jaar met zijn scherpe pen in het Israelisch politiek establishment. In 1992 ontving hij de prestigieuze Vredesprijs van Duitse uitgevers en boekverkopers. “Er zijn overeenkomsten, maar ik ben zeker niet op de biechtstoel gaan zitten. Als ik volledig op Fima had geleken had ik het boek niet kunnen schrijven. Aan de andere kant: als ik totaal van hem verschilde had ik het ook niet kunnen schrijven.”

“In feite zijn er vier generaties in het boek. Er is de oude man, Fima's vader, er is Fima. Dan is er nog een kleine jongen, die niet Fima's biologische kind is, maar de zoon van zijn vorige echtgenote en haar nieuwe man. Fima behandelt hem wèl alsof het zijn eigen zoon is. En dan is er een kleine hond, die bij wijze van spelletje wordt gedood. Dus, als je wilt, is het een familiekroniek van vier generaties, samengeperst in zes dagen.”

Hoewel Amos Oz zich graag en met verve manifesteert als politiek denker stoort hij zich aan politieke interpretaties van zijn romans. “Geen enkele roman die ik heb geschreven was bedoeld om een politieke boodschap over te brengen. Als ik een politieke verklaring wil afleggen dan schrijf ik wel een artikel in plaats van alle moeite te doen om een roman te schrijven.” Toch is de politiek niet weg te denken uit De Derde Toestand.

“Het boek zit vol met politiek”, beaamt hij, “Fima is geobsedeerd door politiek. hij praat erover, hij denkt erover, hij droomt erover. Maar het gaat niet over de politiek, het gaat over de obsessie. Dit boek gaat over de paradoxen en mysteries van het gezin, over mannen en vrouwen. Het gaat niet over wat Israel zou moeten doen, of niet zou moeten doen.”

In eigen land, waar zijn boeken met tienduizenden tegelijk over de toonbank gaan, vecht Oz met die opvatting over zijn literatuur tegen de bierkaai. Elke roman wordt onder de loep genomen, elk woord wordt op een goudschaaltje gewogen. Na de verschijning in Israel van De Derde Toestand in 1991 volgde een gepassioneerd debat met over elkaar heen vallende critici. “Sommige linkse intellectuelen dachten dat ik "intellectueel links' parodieerde. Rechtse mensen dachten dat ik eindelijk mijn verstand gebruikte, het licht zag, me distantieerde van die bende linkse idioten.” Reageren op kritiek doet Oz niet. “Het ergste dat je kan doen is mensen die jouw boek hebben gelezen proberen te overtuigen van het feit dat ze het verkeerd hebben gelezen. Dan zeggen ze natuurlijk: "wj begrijpen jouw onderbewustzijn, wj zijn in een betere positie om te oordelen'. Wie weet. Ik ga er nooit op in, daarvoor is het leven te kort.”

De spanningen in Israel en het Midden-Oosten zijn wel van invloed geweest bij het schrijven. “Het benvloedt mijn dagelijks leven natuurlijk. Het betekent niet dat ik bang ben om de straat over te steken, maar ik ben me er bewust van, m'n hele leven al. Je went er aan. Ik woon in een dorp dat is gebouwd op de helling van een vulkaan.”

“Zelfs met geweld, terreur en haat om je heen voed je nog steeds je kinderen op, plant je rozen in je tuin, lees je boeken en ga je naar een restaurant. Zelfs in de gevangenis, in concentratiekampen, bouwen mensen een zekere routine op. Ze blijven er niet heel de tijd aan denken hoe verschrikkelijk het is, want dan worden ze gek.”

“Dat betekent niet dat ik het geweld accepteer. Ik doe wat ik kan doen: schrijven en praten. Iedere keer als ik erg boos word op mijn eigen regering, of op mijn volk, schrijf ik een artikel of een essay, teken ik een petitie of doe ik mee aan een demonstratie. Maar ik ben geen Jan Palach, die zichzelf in brand steekt.”