Vele musea in 1994 betrokken bij een "beeldhouwoffensief'

AMSTERDAM, 14 APRIL. Ongeveer 25 musea gaan in 1994 uitvoerig de aandacht vestigen op de rijke traditie in de Nederlandse beeldhouwkunst. Dat is de doelstelling van het projekt Beelden in Nederland 1994.

De gelijknamige stichting presenteerde gisteren in de Nieuwe Kerk in Amsterdam de tentoonstellingsplannen, waarbij behalve musea ook andere instellingen zijn betrokken.

Het idee voor dit "beeldhouwoffensief' komt van de Rijksdienst Beeldende Kunst, wiens directeur Robert de Haas in het stichtingsbestuur zitting heeft. Hij benadrukte dat de stichting geen inhoudelijke bemoeienis heeft met de tentoonstellingen, maar er vooral voor zal zorgen dat een zo breed mogelijk kunsthistorisch aanbod te zien zal zijn. Daarvoor is reeds drie ton door WVC toegekend en nog eens zes ton "gereserveerd'.

Sommige musea halen het materiaal uit eigen kelder, zoals museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam dat het beeldenevenement in januari 1994 opent met vijf eeuwen sculptuur. Ook het Amsterdams Historisch Museum put uit de collectie, die onder meer afgietsels behelst voor portretten van Rembrandt, Michiel de Ruyter en Thorbecke. Het Religieus Museum in Uden bezit een van de grootste verzamelingen beeldhouwkunst in ons land, lopend van de anonieme meester van Koudewater tot en met de hedendaagse kunstenaar Henk Visch. Ook het Catharijneconvent in Utrecht zal voornamelijk religieuze sculptuur tonen.

Bijzondere presentaties met veel bruiklenen worden onder meer verzorgd door het Allard Pierson Museum in Amsterdam: 500 jaar beeldhouwkunst uit het oude Griekenland, het Frans Hals Museum in Haarlem (de periode 1899-1939 met meesterbeeldhouwers als Raedeker en Bronner) en door het Noordbrabants Museum. In Den Bosch concentreert men zich op de kolonie Nederlandse beeldhouwers die eind 19de eeuw onder invloed van de neo-classicist Canova in Rome werkzaam was, zoals Mathieu Kessels en Louis Royer.

Kunsthistorisch onderzoek vormt ook de basis van de exposities in de Hannema-De Stuurssichting in Heino en in het Nederlands Architectuur Instituut in Rotterdam. In de kasteeltuinen in Heino wordt de veranderende rol van de tuinsculptuur belicht, terwijl in Rotterdam de "bouwbeeldhouwkunst' die rond de eeuwwisseling een grote vlucht nam, met bouwornamenten en ontwerpen aan de orde zal worden. In Friesland kan men tochten langs 16de- een 17de-eeuwse gebeeldhouwde grafzerken maken, terwijl de Nationale Monumentendag gewijd zal zijn aan het thema gevelstenen.

Doel van de stichting is, behalve een groter publiek te interesseren voor de kennelijk ondergewaardeerde (Nederlandse) beeldhouwkunst, ook kunsthistorisch onderzoek te stimuleren op dit gebied. Daartoe zal ook een beeldengids onder leiding van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg worden samengesteld en ook het Kunsthistorisch Jaarboek zal aan Nederlandse sculptuur gewijd zijn. De eerste stap voor onderzoek is al gezet, volgens projektleider T. Kuipers, zodra een museum de eigen beeldencollectie inventariseert: “Gewoon door de kelders in te gaan”.