"Raad niet alleen met eigen standje bezig'; Mr. W. Scholten presenteert jaarverslag Raad van State

DEN HAAG, 14 APRIL. De rechtsprekende taken van de Raad van State mogen niet worden weggehaald. En er moeten maatregelen genomen worden om het onaanvaardbaar grote verloop onder het juridisch personeel van dit eerbiedwaardig instituut tegen te gaan. Het jaarverslag van de Raad van State over 1992, dat vanochtend werd gepresenteerd door vice-president mr. W. Scholten, heeft een verrassend pamflettistisch karakter.

Onder het kopje “zekerheid over de toekomst nodig” signaleert Scholten dat in het jaar 1992 gedachten over het wegnemen van elke rechtsprekende taak bij de Raad van State “de kop hebben opgestoken”. “Dat zou een beslissing zijn, waarmede de Nederlandse samenleving in het algemeen en de rechtszoekende burger in het bijzonder op geen enkele wijze zijn gediend”, aldus Scholten in zijn jaarverslag.

De Raad heeft een dubbele taak van hoogste adviesorgaan inzake wetgeving en van rechterlijke instantie waar burgers en lagere overheden in beroep kunnen tegen overheidsbeslissingen. In het kader van de grootscheepse herziening van de rechterlijke macht gaan de arrondissementsrechtbanken volgens plan per 1 januari 1994 rechtszaken tegen de overheid in eerste aanleg behandelen. Bij de nieuw in te stellen afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State kan hoger beroep worden aangetekend. Die ontwikkeling heeft tot gevolg dat een groot aantal medewerkers van de Raad van State inmiddels de overstap heeft gemaakt naar een rechtbank. Het aanstellen en inwerken van tijdelijke medewerkers brengt het orgaan in een kwetsbare positie en heeft negatieve invloed op het aantal zaken dat kan worden afgedaan, aldus het jaarverslag. Ondertussen is het aantal binnengekomen zaken gestegen: bij de Afdeling geschillen van bestuur kwamen ruim 8.080 zaken binnen, tegen 6.440 in 1991. Het aantal beroepen bij de Afdeling rechtspraak steeg tot 21.701. Er ligt een voorraad van nog niet afgedane beroepen van ruim 23.000.

Op de vraag of hij met zijn stellingname tegen de reorganisatie van de rechterlijke macht niet de schijn wekt een oratio pro domo te houden, antwoordt Scholten ontkennend. “Dat risico loopt ieder in het leven wel eens. Men weet van de andere kant ook hoe objectief de Raad ten aanzien van andere wetgeving pleegt op te treden. En ik denk dat dat overheersend is boven de gedachte dat wij hier met ons eigen standje bezig zijn. Dat zult u ook zien als u de argumenten beziet, die hebben nooit betrekking op omvang, of macht of positie van de Raad van State. Die argumenten zijn zeer inhoudelijk gericht op de burger en op de overheid.”

Zijn uw handen gebonden door de staatsrechtelijke positie van de Raad van State of door het feit dat de raad wordt voorgezeten door de vorstin?

“Dat laatste moet u nooit in discussie brengen. De positie van de voorzitter komt niet aan de orde en speelt geen enkele rol in de discussie.”

Ik zou me toch kunnen voorstellen dat dat feit de wijze beïnvloedt waarop u kunt ageren tegen volgens u onjuiste voornemens met betrekking tot de Raad.

“Dan heeft u toch een verkeerd voorstellingsvermogen, denk ik. U moet goed onderscheid maken tussen de Raad van State als direct belanghebbende en de Raad als adviserend orgaan voor wetgeving. Ik heb deze inleiding bij het jaarverslag zeker niet primair als belanghebbende geschreven maar met het oog op het algemeen belang. Alleen in bepaalde onderhandelingen met de minister over de toekomst ben ik zeker zuiver als belangenvertegenwoordiger van de Raad van State opgetreden. Daar is op zich zelf niks verkeerds aan, ik sta voor mijn instituut en voor mijn medewerkers en dat wil ik ook blijven doen. Maar dit jaarverslag heb ik geschreven met het oog op het algemeen belang.”

U maakt melding van personeelsproblemen ten gevolge van de reorganisatie van de rechterlijke macht. Wat zijn de consequenties van die reorganisatie voor de Raad?

“De consequentie is dat de harde kern van mijn juridisch bestand, de chef-juristen en de adjunct chef-juristen vertrekken naar de gerechten in eerste aanleg. Ter vergelijking: in 1991 heb ik aan 49 medewerkers aangesteld en 47 mensen op hun verzoek ontslag verleend. Vorig jaar waren die cijfers gestegen tot 92 nieuwe aanstellingen en 76 ontslagen. Als u dat relateert aan een totaal personeelsbestand van 678 in '91 dan is dat een heel hoog percentage. Dat geeft toch zorgen. Gelukkig hebben wij begin deze maand een heel bevredigend politiek overleg gehad met de ministers van binnenlandse zaken en van justitie. Vorig jaar heeft een organisatie-adviesbureau vastgesteld dat het verloop bij een organisatie als de Raad niet groter mag zijn dan 15 procent. Die conclusie is nu op politiek niveau als uitgangspunt genomen. Men beseft dus ook dat men ten behoeve van de uitbouw van het apparaat bij de rechtbanken niet onbeperkt een beroep op onze mensen kan doen. Hoe zeer dat ook vanuit het oogpunt van kwaliteit voor de hand ligt.”

Meer persoonlijk: U bent inmiddels 65, per 1 april vierde u het koperen jubileum in deze functie. U kunt doorgaan tot u 70-ste, maakt u van die mogelijkheid gebruik?

“Het klopt dat ik inmiddels AOW-er ben. Maar waarom vraagt u dat? Maak ik zo'n ongezonde indruk? U kent de wet toch? De wetgever heeft voor deze functie een leeftijdsgrens gesteld, en dat is niet voor niets.”

De president van de Rekenkamer, Koning, zei niet lang geleden dat hij een termijn van tien jaar voor de hoge ambten binnen het koninkrijk wel het maximum vindt. Wat is u mening daarover?

“Het gaat er niet om wat ik daarover denk. Er zijn mensen die mij benoemd hebben op een bepaalde leeftijd. En dit ambt is natuurlijk door meerdere mensen vervuld die tot hun zeventigste zijn doorgegaan. Als u mij voorgangers kunt noemen die niet meer gefunctioneerd hebben na hun 65-ste, houd ik mij aanbevolen.”