Het Zondagsgevoel in de economie (2)

Het bleek een tv-programma over pijn of zoiets te zijn. Een zorgelijk ogende jongeman sprak woordreeksen die in ieder gesprek te gebruiken zijn: “Soms denk ik van daar is iets structureels aan de hand.” Of: “..als je met name de ervaringen uit de VS kan meenemen kun je weer in een groeimodel terecht komen..”

Bij de discussies die het laatste jaar in kleine, maar invloedrijke kring zijn gevoerd over de toekomst van de Nederlandse overlegeconomie klonken ook voortdurend van die soufflé-redeneringen. Vertrouwde ingrediënten luchtig opgediend. Weinig of geen nieuwe analyse. Ook al erkent iedereen dat de wereld en Europa steeds dichter op onze huid zitten en vragen om erkenning dat de dorpsstaat Nederland aan het verdwijnen is.

Al die bezorgde beroepsvertegenwoordigers die in de SER, de Stichting van de Arbeid en al die andere duo-, tri- en meerpartite vergaderhonken op het economisch harmonium spelen: hebben zij nog steeds belang bij de na-oorlogse arrangementen, en hebben wij dat ook? Of missen zij de fantasie nieuwe vormen van leven en laten leven te bedenken of te doen ontstaan?

Sommige wonderen van het Nederlands economisch bestel zijn alleen te verklaren uit een overheersende nationale hang naar vroomheid, die even goed voorkomt bij kerkgangers als bij religieuze geheelonthouders. Voor het bewaren van de lieve vrede hebben wij zo veel over dat een buitenstaander moet aannemen dat hier zonder harmonie-model ieder moment bloedige afrekeningen zouden dreigen.

Wie in schier eindeloze samenspraak verkeerde beslissingen bereikt doet het in dit land beter dan wie onvermijdelijke maatregelen met kracht van argumenten verdedigt, desnoods tegen de moesjawara in. Dat is de waarheid die verklaart waarom we zo lang over de totaal uit de hand gelopen WAO praten, en ten slotte een even onrechtvaardige als onbevredigende ingreep plegen. Hoe kon dat? Die beslissing werd genomen in harmonie met de deelnemers in het harmonie-spel. Jammer voor de rechtsstaat.

De behoefte aan eensgezindheid gaat zo ver dat de produkten van de consensus-molen door velen worden gezien als per definitie heilzamer dan de uitkomst van harde, duidelijke onderhandelingen. Dat is een geloof. Wie dat niet inziet brengt Nederland in gevaar.

Als slotargument voor het bestaande economisch stelsel, dat alle andere argumenten overbodig maakte, voerde SER-voorzitter Quené onlangs (Staatscourant, 1 april) aan dat de Nederlandse samenleving gewoon niet zonder overlegeconomie kan: overheid en sociale partners zijn tot een verstandshuwelijk gedwongen, apart verder gaan is onmogelijk, de overlegeconomie is onontkoombaar.

De organisatiegraad van de vakbeweging is zo diep gezakt dat de representativiteit in het geding is. Voor een hoogstaand pleitbezorger van de overlegeconomie als Quené is het geen vraag of bijvoorbeeld de vakbeweging terecht namens werkend Nederland in de SER of de Stichting van de Arbeid zit, compromissen sluit, afkoopregelingen fiatteert. Hij hecht meer aan de kwaliteit dan aan de kwantiteit. In de Staatscourant zegt hij: “Het is wel erg makkelijk als je de vakbeweging in het beklaagdenbankje zet. Wat moet je dan van de politiek zeggen: slechts drie procent van de Nederlanders is lid van een politieke partij. Daarmee beheersen ze echter de totale politieke kandidaatstelling in ons land. Of wat te zeggen van de natuurbeschermingsorganisaties: ondanks dat er slechts weinig mensen lid van zijn, worden ze door de overheid wel gezien als een serieuze gesprekspartner.”

Dat zegt even veel over de natuur als over onze verhouding tot de overheid. De honderdduizenden leden van Natuurmonumenten spreken op zichzelf boekdelen, maar procentueel is het natuurlijk geen meerderheid. Dat de mensen die optreden namens De Overheid toch met natuurmensen praten komt omdat zij behoefte hebben aan een zekere legitimatie van hun bezigheden. Dus is het handig dat er luitjes zijn die zeggen namens de natuur te komen. De meerderheid van de burgers die niets extra's over heeft voor de natuur, vindt waarschijnlijk dat de overheid al genoeg geld inhoudt, en dat de fietspaden op de Veluwe daar ook wel van aangeharkt kunnen worden.

Quené's vergelijking schiet ook om een andere reden tekort. Want de natuur kan slecht uit haar woorden komen. Dat geldt niet automatisch voor al die mensen die geen lid worden van een vakbond. Bij de actieve deelname aan de politiek ligt dat anders. Daarmee raakt Quené een achillespees van de parlementaire democratie zoals die reilt en zeilt. Niemand heeft daar een betere oplossing voor gevonden, tenzij nieuwe vormen van directe verkiezing worden ingevoerd. In Amerika kiezen burgers brandweercommandanten, openbare aanklagers, burgemeesters en als het meezit ook nog de Chef parken en pleinen. Dat geeft een band, niet altijd een betere functionaris.

Uit dit alles is niet automatisch een sterk argument af te leiden om de bonden van werkgevers en werknemers te laten meepraten en -beslissen over tientallen onderwerpen die het belang van hun leden niet of nauwelijks raken. Dat is wel de praktijk van de Nederlandse overlegeconomie. Koffie met een koekje, iedereen zijn eigen stoel en samen het goede bevorderen. Het Zondagsgevoel in de Nederlandse economie.

Een jaartje geleden noemde ik de zondagswetgeving en het gedoe over de Winkelsluitingswet als voorbeelden van de bedilzucht waar deze sociaal-economische vroomheid toe leidt. In navolging van de openbare bibliotheek in Leiden, is de openstelling op zondag intussen ook in Amsterdam en Heemstede een doorslaand succes. En het door de week een half uurtje na zessen doorwinkelen is heel handig voor werkende mensen. Veel winkeliers en bonden laten blijken dat Vrijheid blijheid nog een wezensvreemd concept is.

In mei '92 beschreef ik die zondags-strijd ook al eens. Een gewaardeerde lezer, die me al eerder terzijde stond, stuurde sindsdien een proefschrift van C.B. Posthumus Meyjes ("Van ophouden weten, de betekenis van het sabbatsgebod voor onze tijd', Amsterdam januari '93). Zijn vraag: u pleitte tegen de systematisering van het rivierenlandschap, en nu geeft u steun aan diegenen die het natuurlijke rustpunt in de week willen wegvagen. Onze tijd wordt steeds verder economisch nuttig gemaakt en gemathematiseerd. Bent u niet inconsequent?

Het antwoord is: ik denk het niet. Bij de rivieren zijn het enkelingen die op grond van een eenzijdige redenering ons aller land molesteren, terwijl miljoenen Nederlanders uit vrije verkiezing volkomen anders en vrij zijn gaan leven en hun week indelen. Opnieuw zijn het zelfbenoemde enkelingen, in politiek en zogenaamde belangenbehartiging, die met regels en procedures ons leven willen beheersen en systematiseren. Dat is een ongewenst bijprodukt van de overleg-economie, een schijnheilig gevolg van het Zondagsgevoel in de economie.