Gentse schilder Theo van Rysselberghe stippelde lustig door

Tentoonstelling: Theo van Rysselberghe. Tot 6/6 in Museum voor Schone Kunsten, Citadelpark, Gent. Geopend: dag. 9.30-17 uur. (ma. gesloten). Catalogus: Bfr. 980.

De in Gent geboren schilder Theo van Rysselberghe heeft een belangrijke, om niet te zeggen doorslaggevende rol gespeeld in de doorbraak van het modernisme in België aan het eind jaren van de tachtig van de vorige eeuw. Het Museum voor Schone Kunsten in Gent eert hem nu met een grote retrospectieve tentoonstelling.

Twee portretten daar vallen meteen in het oog; portretten van twee zusjes, die van Rysselberghe schilderde in 1886, drie jaar nadat hij met een aantal collega's de progressieve kunstenaarsvereniging Les Vingt had opgericht. Een van de zusjes, Marguerite van Mons, behoort nu tot de topstukken van het Museum voor Schone Kunsten van Gent. Een voor de Belgische kunst van dat moment uitzonderlijk licht schilderij: Het laat een bleek, mager meisje zien van een jaar of veertien in een hooggesloten zwarte jurk, dat de toeschouwer met opgetrokken wenkbrauwen wat verlegen en afstandelijk aankijkt. Ze staat met haar rug tegen een dubbele lichtblauwe deur met glanzend gouden biezen, die de hele achtergrond beslaat en de sfeer van het schilderij bepaalt. Het meisje houdt een arm half uitgestrekt naar een gouden deurknop alsof ze wil zeggen: niet te lang naar me kijken anders draai ik me om en ben ik weg.

In zijn soberheid en broosheid doet het portret sterk denken aan de werken van een andere Belg, Fernand Khnopff. De penseelvoering en de kleuren herinneren vooral aan de Amerikaan James Whistler, die Van Rysselberghe zozeer bewonderde dat hij hem al op de eerste tentoonstelling van Les Vingt had laten uitnodigen.

Op de Gentse tentoonstelling hangt Marguerite van Mons in een van de eerste zalen naast het portret van haar zusje Camille, dat voor de gelegenheid uit een Duitse verzameling is overgekomen. Camille van Mons werd door Van Rysselberghe voor dezelfde blauwe deur vereeuwigd en ook zij heeft een zwarte japon aan. Maar zij is duidelijk veel zelfverzekerder dan Marguerite. Van Rysselberghe schilderde haar dan ook directer en hanteerde zijn penseel veel ruwer en losser. De vergelijking met het werk van de symbolist Khnopff is hier totaal verdwenen, eerder is een duidelijke invloed van Manet zichtbaar.

Maar wat de portretten van beide zusjes vooral onderscheidt van de eerdere, sombere portretten die Van Rysselberghe schilderde is de onconventionele visie, het bewuste zoeken naar nieuwe vormen en kleuren. Waar dat toe leidde laat de rest van de tentoonstelling zien.

In dezelfde tijd dat Van Rysselberghe de meisjes Van Mons schilderde deed hij dankzij zijn vriend de dichter Emile Verhaeren de ontdekking van zijn leven. In mei 1886 zag hij in Parijs La Grande Jatte, Seurats beginselverklaring van het neo-impressionisme. Hij raakte direct bekeerd. Van Rysselberghe zorgde ervoor dat Seurats grote doek op de eerstvolgende tentoonstelling van Les Vingt in Brussel te zien was en vanaf dat moment begonnen met hem veel progressieve Brusselse schilders te experimenteren met het pointillisme.

Van Rysselberghe was de enige die zich tot een meester in het gepointilleerde portret zou ontwikkelen. En de oude James Ensor mag zijn werk dan in 1921 malicieus karakteriseren als 'met Spaanse vlieg bestrooide mestkeverspikkelingen', Van Rysselberghe heeft daar een hoog niveau in bereikt. De beste portretten maakte hij in de jaren negentig van goede bekenden uit zijn directe omgeving, onder andere de zusjes Sèthe, die nu vanuit verre verblijfplaatsen tijdelijk in Gent zijn herenigd. Eerst staat daar in een glanzend blauwe japon, levensgroot, Alice Sèthe, die ondanks haar onschuldige uiterlijk wat van Alfred Stevens' mondaine sfinxen weg heeft. Daarnaast hangt de representatief en geflatteerd weergegeven violiste Irma Sèthe, leerlinge van de beroemde Eugène Isaye. Ze hanteert de strijkstok zo ferm dat het onmogelijk vals kan zijn. Tenslotte zien we hun zuster Maria, de latere vrouw van Henri Van de Velde, die dromend achter haar harmonium door Van Rysselberghe is betrapt. Ze zijn misschien allemaal een beetje burgerlijk, zoals de hele Brusselse fin-desiècle-kunst, maar tegelijkertijd hebben ze ook iets verfrissends en moderns.

Van Rysselberghe kwam uit een familie van louter ingenieurs en architecten en dat verklaart misschien waarom hij zich zo lang en zo consequent met zo'n exacte en rationele manier van schilderen heeft beziggehouden. Lang nadat bijvoorbeeld zijn landgenoten Georges Lemmen en Henri van de Velde met pointilleren waren gestopt, stippelde Van Rysselberghe nog lustig door. Zijn laatste wapenfeit in deze is het monumentale werk De Lezing door Emile Verhaeren uit 1903. Een hommage aan de dichter die met zijn helderrode jas en brede snor het middelpunt vormt van een groepje saaigeklede intellectuelen die door hem worden voorgelezen. De Lezing heeft alle geconstrueerdheid en gekunsteldheid van een groepsportret. Toch is het een intrigerend en niet te vergeten aandoenlijk doek, omdat de nadruk ligt op de begeestering die Verhaeren uitstraalt.

Na 1903 veranderde Van Rysselberghes stijl. Hij gaat over tot weinig karakteristieke impressies, opgebouwd uit felle kleurvegen. Deze periode is door de organisatoren wijselijk buiten beschouwing gelaten. De afdeling schilderijen eindigt - gelukkig en abrupt - bij zijn meesterwerk De Lezing.

Bijna de helft van de tentoonstelling wordt ingenomen door de werken op papier. Vaak komt Van Rysselberghe in zijn snelle schetsen en uitgewerkte tekeningen tot psychologisch veel interessantere portretten dan in de zo sterk technisch bepaalde pointillistische schilderijen. We zien in deze zalen Marguerite van Mons nog een paar keer terug, onder andere als jonge vrouw. Ook de zusjes Sèthe en Emile Verhaeren zijn er weer.

Mooi zijn ook de ontwerpen die Van Rysselberghe in de jaren negentig maakte voor de boeken van Librairie Deman, vooral omslagen en versieringen voor gedichtenbundels. Dit onverwachte aspect plaatst de kunstenaar niet alleen in de traditie van Morris en Whistler maar in de hele brede art nouveau-beweging van zijn tijd. De boeken en ontwerpen illustreren uitstekend de plaats die hij in het avantgardistische Brussel van rond de eeuwwisseling innam als kunstenaar, organisator en als trait d'union met de literatuur.