G-7: wat eerst, het snoepje of de levertraan?

DEN HAAG, 14 APRIL. De Westerse geldschieters aan Rusland staan voor het dilemma van na-oorlogse ouders in Nederland met kinderen in de groei. Mag het snoepje gegeven worden vòòr de onvermijdelijke hap levertraan, of komt het snoepje achteraf om de vieze smaak weg te nemen? Vertaald voor de Russische werkelijkheid van 1993: moet het Westen financiële hulp geven aan Rusland ter aanmoediging van economische hervormingen, of moet het die hulp geven als beloning nadat de hervormingen in gang zijn gezet?

Dit is de kern van het debat over financiële hulpverlening dat de Groep van zeven machtigste industrielanden nu al twee jaar met de leiders uit Moskou voert. Eerst met president Gorbatsjov van de Sovjet-Unie, nu met president Jeltsin van de Russische federatie. Politieke overwegingen spelen daarbij een belangrijke rol. Tot midden 1991 steunde het Westen Gorbatsjov in diens streven de Unie bij elkaar te houden; sinds begin 1992 staat het Westen achter Jeltsin. In de politieke strijd op leven en dood tussen Jeltsin en het Volkscongres staat het Westen achter de president. Niet dat zijn hervormingen tot nu toe enige zekerheid op een economische ommekeer hebben opgeleverd, maar omdat hij de hervormingen belichaamt en, misschien, de grootste kans op stabiliteit. Per slot van rekening is Rusland de erfgenaam van een supermacht, met zo'n 20.000 kernraketten en een buitenlandsche schuld van 85 miljard dollar.

Parallel aan de politieke machtsstrijd tussen Jeltsin en parlementsvoorzitter Chasboelatov vindt een ander gevecht plaats in Moskou, dat voor de toekomst van de hervormingen van doorslaggevend belang is. Vice-premier en minister van financiën Boris Fjodorov heeft de strijd aangebonden met Viktor Gerasjtsjenko, de president van de Russische centrale bank. Fjodorov heeft bij herhaling het ontslag geëist van Gerasjtsjenko omdat deze ongelimiteerd roebels in omloop brengt. De president van de centrale bank is evenwel politiek verantwoordelijk aan het parlement van Chasboelatov, niet aan de regering-Jeltsin.

Dit weekeinde hebben Fjodorov en Gerasjtsjenko hun ruzie ogenschijnlijk bijgelegd. In hun “historische afspraak”, aldus Fjodorov, hebben ze verklaard zich eendrachtig te zullen inzetten voor terugdringing van de inflatie.

Rusland stevent ondertussen af op hyperinflatie. Per dag stijgen de prijzen met een procent, op jaarbasis staat de inflatie nu op 2.500 procent. Deze geldontwaarding zette halverwege 1992 in. De toenmalige hervormingspremier, Jegor Gaidar, liep toen stuk op de macht van de oude kaders in de ministeries en de conglomeraten in de industrie en landbouw. Gaidar had geprobeerd de geldschepping stop te zetten en leek daar aanvankelijk succes mee te hebben. Hij liberaliseerde in de eerste maanden van 1992 de prijzen en kneep de kredietlijnen en subsidies aan de staatsbedrijven af, hij zette de onbeperkte verstrekking van roebels voor de republieken van de inmiddels uiteengevallen Sovjet-Unie stil.

Het gevolg was, een jaar geleden, een kortstondige roebelschaarste. De inflatie daalde, het overheidstekort verminderde. Maar de managers van de staatsbedrijven, de machtige nomenklatoera van de communistische planeconomie kermde en was niet van plan de produktie aan te passen aan de nieuwe financiële voorwaarden. Nu ze geen geld uit Moskou meer kregen, begonnen de bedrijven grondstoffen en onderdelen onderling op krediet te leveren. De onderlinge vorderingen van het bedrijfsleven namen astronomisch toe. Het zijn vorderingen die nooit geïnd zullen worden, het zijn papieren schuldbekentenissen. Deze parallele geldschepping, buiten de centrale overheid en de centrale bank om, ondermijnde de poging van Gaidar om de economie te hervormen met een orthodox monetair beleid.

De bedrijven hadden ook geld nodig om hun werknemers te ontslaan. Want al kelderde de produktie, de werkloosheid die bij iedere radicale economische aanpassing onvermijdelijk is, werd vooruit geschoven. De politieke druk op Gaidar om de geldkranen weer wagenwijd open te zetten, was zomer vorig jaar zo groot, dat hij bezweek. Daarmee was het orthodoxe hervormingsprogramma afgeschoten.

De Groep van zeven machtigste industrielanden had begin 1992 een hulppakket van 24 miljard dollar toegezegd, waarvan 6 miljard bestemd zou zijn voor een IMF-fonds ter stabilisatie van de roebel. Maar met de chaos tussen de republieken over het gebruik van de roebel en met de mislukte poging om de geldschepping te beteugelen, was er geen sprake van roebel-stabilistie. Onder zware druk van de G7-landen gaf het IMF uiteindelijk één miljard dollar aan Rusland als voorschot op een standaardlening voor een aanpassingsprogramma.

Eind 1992 waren de doelstellingen van het IMF-aanpassingsprogramma volkomen uit zicht verdwenen. De inflatie liep uit de hand, het overheidstekort explodeerde, schaarse harde valuta verdween als vluchtkapitaal (schattingen lopen uiteen van 15 tot 30 miljard dollar) naar het buitenland, de roebel werd met de dag minder waard en is inmiddels gezakt naar 720 voor een dollar. Van stabilistie was geen sprake.

Begin dit jaar kreeg Boris Fjodorov tot taak om de hervormingen te redden en het pad te effenen voor Westerse hulp. “We herstellen de orde of we glijden af naar volledige chaos. Ik wil dat Rusland een normaal land wordt”, zei hij. “Het moet toch gemakkelijker zijn om het begrotingstekort te verminderen en de centrale bank te besturen dan om de communistische partij uit zijn macht te zetten.” Maar ook voor Fjodorov was duidelijk dat de “alleereerste voorwaarde is om de geldschepping onder controle te brengen. Anders is iedere vorm van buitenlandse hulp verspild geld. Hulp moet slechts beschikbaar komen als Rusland zich aan zijn deel van de afspraken houdt.”

Boris Fjodorov (1958) was in 1990 kortstondig minister van financiën van Rusland, toen dit nog de grootste republiek van de Sovjet-Unie was. Daarna was hij achtereenvolgens de Russische vertegenwoordiger bij de Bank voor Oost-Europa in Londen en bij de Wereldbank in Washington.

Op 25 maart presenteerde Fjodorov zijn hervormingsvoorstellen. Centraal stond de noodzaak de geldpersen tot staan te brengen, de roebel-subsidiëring van de overige republieken een halt toe te roepen en het overheidstekort (geschat op 22,5 procent van het bruto nationale produkt) te verminderen. Fjodorov wordt gesteund door Westerse economische adviseurs, de Harvard-hoogleraren Stanley Fischer en Jeffrey Sachs. Deze verkondigen om het hardst dat vorig jaar het IMF en de Amerikaanse regering de hulp aan Rusland verprutst hebben, en dat het de hoogste tijd is voor snelle actie. Maar ook zij zijn van mening dat iedere hulpverlening gedoemd is te mislukken als de centrale bank voort blijft gaan onbeperkt roebels in omloop te brengen.

De bedoeling van Sachs, Fischer en Fjodorov is dat de gevolgen van de bezuinigingen op de begroting en de stopzetting van de geldschepping worden opgevangen door dollars uit het buitenland. De hulp zou, in de woorden van Fjodorov, niet moeten fungeren als “beloning voor goed gedrag, maar als aanmoediging van goed gedrag”. Fjodorov erkent dat niemand Rusland zal helpen zolang het geen hervormingsmaatregelen neemt. Maar het is “nagenoeg onmogelijk om de pijnlijke hervormingen door te voeren zonder buitenlandse hulp”, meent hij.

Het snoepje moet dus tegelijk met de hap levertraan worden toegediend.