De absurde werkelijkheid van de Roemeense tragedie

Le chêne. Regie: Lucian Pintilie. Met: Maïa Morgenstern, Razvan Vasilescu. In: Amsterdam, Desmet; Eindhoven, Plaza Futura.

Documentaires of televisiereportages over de Roemeense werkelijkheid neigen soms naar pathetiek. De gruwelen van het Ceausescu-régime en de eruit voortvloeiende culturele, economische en morele verwoesting lenen zich misschien minder goed voor een realistische benadering.

De structuur van de speelfilm Le chêne, geregisseerd als Frans-Roemeense coproduktie door de in 1990 uit Westeuropese ballingschap teruggekeerde filmer Lucian Pintilie, laat zich het best vergelijken met die van een "roman fleuve'. Dat etiket verwierf zich al eerder de eraan ten grondslag liggende roman Balanta van de in het buitenland weinig bekende auteur Ion Baiescu. Pintilie filmt de wederwaardigheden van een door Roemenië reizende psychologe (Maïa Morgenstern) als een soort associatieve odyssee. De gebeurtenissen zelf balanceren steeds op de rand van de realiteit, hun samenhang lijkt eerder gedicteerd door de logica van een bange droom.

De reis heeft wel een richting. Het vertrekpunt is dood en wanhoop, de bestemming een terugkeer naar eeuwige waarden als liefde, continuïteit en integriteit. In de schaduw van een stokoude, eenzame eik begraaft de vrouw de as van haar vader, opgeslagen in een Nescafépot. De film, geheel gesitueerd in het jaar voor de val van de dictatuur, begint met zijn dood, in een totaal verkommerd appartement in Boekarest. De verslonsde en depressieve dochter bekijkt naast zijn lijk oude filmpjes, waarin ze als kind de gasten van een Securitate-feestje de stuipen op het lijf jaagt door zich meester te maken van vaders revolver.

Na een slordige crematie (de wetenschap, aan wie hij zijn lichaam vermaakte, heeft geen belangstelling, bij gebrek aan formaline) stapt de dochter in een trein. Die kan wegens een overstroming niet verder. Een conducteur draagt haar op zijn rug over een smalle brug naar de overkant van de rivier, waar de overige passagiers, als zigeuners om een kampvuur gezeten, vanuit de verte al schunnigheden roepen, vooral de vrouwen. De conducteur staat op betaling voor bewezen diensten, maakt zich dansend uit de voeten met een stapeltje bankbiljetten, terwijl een pater begint te vertellen over zijn jaloerse echtgenote.

Het verschil tussen Le chêne en de absurde logica van bij voorbeeld de films van de oudere Buñuel is de geloofwaardigheid van de wrede details. Net als in Le charme discret de la bourgeoisie wordt de handeling herhaaldelijk onderbroken omdat het leger met grof geschut intervenieert. Maar bij Pintilie schieten de manschappen met scherp. De gijzeling van een bus vol schoolkinderen eindigt in een willekeurig bloedbad, terwijl de militairen de andere kant opkijken.

De dood loopt als een rode draad door de film heen. Er wordt gesold met lijken, zonder dat Pintilie de indruk maakt ons daarmee te willen choqueren. Het is eerder een onderdeel van de alledaagse, absurde werkelijkheid, die eerder boertige schelmenhumor vereist dan subtiliteit. In toenemende mate lukt het de vrouw en een onderweg ontmoete arts (Razvan Vasilescu), die haar terloops redde van een verkrachting door een groepje mijnwerkers, om de autoriteiten te slim af te zijn. De wraakneming van een openbare aanklager, door de arts in het gezicht geslagen (“als je me beschuldigt van vandalisme, dan kan ik me daar maar beter naar gedragen”), wordt door een geraffineerde chantage-truc van de vrouw gepareerd. Aan het slot van de film hebben de beide symbolische hoofdpersonen de weg bereid voor hun eigen bevrijding. Maar het is evenzeer duidelijk dat hun land niet zo gemakkelijk herrijzen zal uit een totaal moreel bankroet.

Le chêne, tot stand gekomen door het soort produktionele en financiële ondersteuning, dat de Franse filmindustrie met de hulp van minister Jack Lang filmmakers uit minder bedeelde culturen placht te verlenen, is een verre van gepolijste, spontane film. Er spreekt vakmanschap uit, gevoel, slimheid en een niet voor de hand liggend soort raffinement. Het is bovenal een van die weinige films, die een adequate kunstzinnige vorm weten te vinden voor een schreeuwende behoefte juist dit verhaal te vertellen. De Roemeense tragedie vraagt niet om liefdadigheid, maar om een open oog en oor. De aandacht wordt beloond, want wederom blijken op de vuilnisbelt de mooiste bloemen te groeien.