Attenborough scheidt Charlie en Charles; Robert Downey jr. moest in Chaplin een positieve held verpersoonlijken

Chaplin. Regie: Richard Attenborough. Met: Robert Downey jr., Dan Aykroyd, Kevin Kline, Moira Kelly, Anthony Hopkins, Geraldine Chaplin. In: Amsterdam, Bellevue Cinerama; Rotterdam, Thalia; Den Haag, Metropole; Nijmegen, Carolus; Maastricht, Palace.

Chaplin begint en we staan oog in oog met de "little tramp' zoals miljoenen hem nog altijd kennen. Het witgeschminkte gezicht, de zwaarzwartomrande, droeve ogen, het inktzwarte borsteltje dat neus en mond verbindt tot een smartelijk geheel. Hij beweegt zich en je denkt: wat lijkt hij precies. Want dat lukte Richard Attenborough, regisseur van Chaplin, uitzonderlijk goed. Zag hij voor zijn Gandhi hoe Ben Kingsley kon worden getransformeerd in Mohandas Ghandi, net zo herkende hij in de jonge acteur Robert Downey, tot nu toe onopvallend werkzaam in een stel verre van opzienbarende B-films, een aanzet tot Chaplin, waar "make up artists', kostuumontwerpers, stem-, mimiek- en bewegings-coaches iets mee aan konden.

Attenboroughs Charlie ontdoet zich van de bolhoed, van het krap-flodderige kostuum, van het snorretje en begint zich af te schminken. Het filmmateriaal in zwartwit krijgt kleur. Het personage maakt plaats voor een mens, Charlie wordt Charles. Want tevergeefs roept de titel Chaplin een wereld op van één kleine figuur tegenover politieagenten, zwaargebaarde en -gewenkbrauwde autoriteiten en verdrukte onschuldjes. Chaplin concentreert zich op Charles Chaplin en waarom Attenborough ze scheidt, blijft in het ongewisse. Noodzakelijk was het niet, vaak liepen ze opvallend moeiteloos in elkaar over, getuige bijvoorbeeld de foto van Charles, nog geschminkt als Charlie, in tranen bij zijn uitgebrande studio.

Speelt Robert Downey Charles Chaplin goed? Ik heb geen idee. Hij lijkt. Daar is het meeste mee gezegd. Verder werd hij door Attenborough zo kort gehouden dat hij van zijn personage vooral een vlakke, alleen in theorie gepassioneerde man maakte. Wie een aantal andere acteurs zich ziet vermeien in hun rol, krijgt bijna medelijden met hem. Kevin Kline mocht een weergaloze Douglas Fairbanks Sr. neerzetten, wiens charmante playboy-groet "Hellooo, old darling' onvergetelijk is. Dan Aykroyd kreeg alle ruimte voor de legendarische bulderbast Mack Sennett en hoe beperkt de ruimte ook is die haar werd bemeten, Geraldine Chaplin lukt het om haar eigen, aan groeiende waanzin onderhevige grootmoeder Hannah meeslepend gestalte te geven.

Maar Downey mocht niet. Voor hem geen kleurrijke uitbarstingen, voor hem geen wanhoop, woede of extase. Waar wij al houden van Chaplins onsterfelijke creatie Charlie, moest Downey in Charles een positieve, correcte held verpersoonlijken, een man die wij vol respect kunnen beminnen, ondanks wat kleine niets-menselijk-is-hem-vreemde misstappen.

Mits hun genie van wereldformaat is, maakt Richard Attenborough graag over zulke mannen een film, in traditionele, licht pathetische beelden. Was Gandhi voor die aanpak nog enigszins geschikt, bij Charles Chaplin was hij daarvoor aan het verkeerde adres. En in plaats van zijn zegeningen te tellen met zo'n grillig, megalomaan en intrigerend mens als hoofdpersoon, begon Attenborough van alles en nog wat recht te breien. Naarstig in de weer met een vooral representatieve indruk van Chaplins leven in vogelvlucht, liet hij om te beginnen veel weg. Daardoor vielen gaten en om die te overbruggen bedacht hij een gewrongen raamvertelling: we zien een stokoude Chaplin zijn mémoires doornemen met zijn uitgever - Anthony Hopkins speelt die als een ouderwetse schoolmeester - waarbij we dan en passant even worden bijgepraat. Reuze educatief, heel afstandelijk.

Schrappen en kiezen, dat doet elke goede biografische cineast, maar je kunt je vraagtekens zetten wanneer de criteria eruit zien als moralistische correcties. Zo is de rol van Edna Purviance (ze speelde tussen 1915 en 1923 in al Chaplins films) teruggebracht tot twee scènetjes. In de eerste ontmoet Chaplin haar in een lunchroom en bespeurt direct in de wereldwijze secretaresse een geslaagde "leading lady'. In de tweede regisseert hij haar, waarbij Attenborough tegelijk Chaplins vergaande perfectionisme op de filmset "afwerkt'. Verderop zal haar naam nog eenmaal vallen, om te melden dat ze tot het eind van haar leven op Chaplins loonlijst bleef staan. Dat is heel nobel, maar onvermeld blijft haar plaats in en haar belang voor zijn films en hoe hij haar emotioneel en professioneel op haar hart trapte. Waar Chaplins huwelijken en affaires zijn films dringender doorkruisten, kon Attenborough een en ander onmogelijk ongenoemd laten. Maar wie bijvoorbeeld iets wil begrijpen van een idyllische strandscène met twee van Chaplins zoontjes die door de limousine van hun moeder plotseling bruut worden weggehaald, moet helderziend zijn, want Attenborough weigert het uit te leggen.

Een funester gevolg van de heroïsering van Charles Chaplin is dat Attenborough hem nooit laat zwoegen om iets te bereiken. Alles komt hem, hoeps!, aanwaaien, van de outfit en het loopje van Charlie, via inhoud en uiterlijk van zijn films tot en met het late levensgeluk met Oona O'Neill.

De grote vraag bij Chaplin blijft gedurende de ruim twee uren die de film beslaat, waarom Richard Attenborough hem wilde maken. Met slapstick heeft hij, getuige de enkele pogingen die hij hier doet, weinig op, met de macht van de emotionele tragikomedie evenmin. In de films van Chaplin wilde hij niet doordringen, in de relatie tussen diens persoon en zijn personage ook al niet. Wat voor Chaplin overbleef was een breed overzicht van Chaplins bestaan in Hollywood, met zijn films als voetnoten en zonder ons te laten voelen hoe het was om daar te wonen, te werken en te leven als een van de eerste filmgiganten in de geschiedenis. Aan het slot van de film wordt Charles, na in 1952 onder druk van FBI-chef J. Edgar Hoover en Joseph McCarthy te zijn uitgewezen, in 1972 voor een ere-Oscar Los Angeles binnengehaald als de verloren zoon. Attenborough had misschien liever geen hoofdpersoon met communistische sympathieën. Hij suggereert dat die uitwijzing in feite werd ingegeven door Chaplins, in deze film door hem zelf zoveel mogelijk weggemoffelde, onorthodoxe erotische levenswandel, maar Hans Beerekamp analyseerde in het CS van 9 april al dat die conclusie op zijn zachtst gezegd gewaagd is. Hoe het ook zij, er volgt een apotheose met een compilatie van originele fameuze Chaplin-film-momenten, uit The Immigrant, uit The Kid, uit Modern Times. Attenboroughs Chaplin overleeft die filmclips niet. We lachen, we raken geroerd, en we zijn woedend dat het maar een paar minuten duurt.