W.M. PERQUIN 1918-1993; Theoloog, lobbyist

Hij wilde zielzorger worden, studeerde filosofie, theologie en pastoraal-psychologie, maar werd kort voor zijn priesterwijding ziek. “Dat betekende dat ik een heel kalm leventje moest gaan leiden. Maar het merkwaardige is dat ik het meest actieve leven heb geleid dat je je maar kunt voorstellen.”

Met deze woorden blikte Wouter Marius Perquin, die vrijdag op 74-jarige leeftijd overleed, negen jaar geleden in deze krant terug op zijn carrière, waarin hij zich vooral ontpopte als hartstochtelijk lobbyist van het midden- en kleinbedrijf.

Na zijn herstel - en een kortstondig intermezzo als dagbladjournalist - was hij achtereenvolgens perschef en secretaris van de Nederlandse Katholieke Middenstandsbond, directeur van het partijbureau van de Katholieke Volkspartij, voorzitter van het Nederlands Katholiek Ondernemersverbond (NKOV), en tenslotte, van 1977 tot zijn pensionering in 1984, de eerste voorzitter van het Koninklijk Nederlands Ondernemersverbond (KNOV), dat was ontstaan uit een fusie tussen het "neutrale' KVO en het "katholieke' NKOV, waarbij het "christelijke' NCOV op het laatste moment afhaakte.

Perquin gold in de vaderlandse overlegeconomie niet als sociaal-economisch zwaargewicht. Daarvoor was zijn achterban te versnipperd (“een kruiwagen vol kikkers”) en waren de organisaties van de "grote' werkgevers, NCW en VNO, te dominant. De komst van een speciale staatssecretaris werd door het midden- en kleinbedrijf wel als overwinning gevierd, maar betekende feitelijk dat de toegang tot het ware machtscentrum werd bemoeilijkt. Een handicap die VNO en NCW veel minder trof. Met de vorming van het KNOV, waaraan Perquin hard trok, legde hij echter de basis voor een gelijkwaardiger positie van het midden- en kleinbedrijf. Zijn opvolger, mr. J. Oosterhoff, wist er geen raad mee, maar diens opvolger, oud-VVD-voorzitter J. Kamminga, zou er zijn voordeel mee doen.

De 1918 in Den Haag geboren Perquin deed als werkgeversvoorman wat van hem verwacht werd. Dus voerde hij een kruistocht vóór afschaffing van de minimumprijzen voor arbeid, maar tégen afschaffing van de minimumprijzen voor brood en melk, vóór deregulering, maar tégen buiten werking stelling van de Vestigingswet en verruiming van de openingstijden van winkels.

Consequent hamerde Perquin op het aambeeld van het zelfstandig ondernemerschap. De vasthoudendheid waarmee hij dat deed, bezorgde hem niet alleen de bijnaam "Mag het een onsje méér zijn', maar dreigde zich ook tegen hem en het KNOV te keren. Want zijn schier onophoudelijke klaagzang over de verdrukking van het midden- en kleinbedrijf klonk politiek-Den Haag op een gegeven moment in de oren als een veel te vaak gedraaide grammofoonplaat. Premier Lubbers zei later dat hij dan ook behoorlijk was geschrokken toen Perquin zich in 1983 opeens achter de plannen van zijn zojuist aangetreden kabinet schaarde.

Dat neemt niet weg dat Perquin in verschillende opzichten zijn tijd vooruit was. Zo zijn zijn ideeën over het midden- en kleinbedrijf als trekpaard van industriële vernieuwing vijftien jaar na dato neergeslagen in technologienota's van minister Andriessen van Economische Zaken. Het billijkt, met terugwerkende kracht, Perquins observatie in het eerder aangehaalde interview uit 1984: “Ik meen toch door mijn oratorisch vermogen en mijn enthousiasme een bijdrage geleverd te hebben aan de erkenning van het midden- en kleinbedrijf. Die sfeer die vroeger bestond, dat het maar een verdeelde rommel was en de middenstand zelf niet wist wat ze wou, die sfeer is verdwenen. Ik heb nu niet meer het gevoel tegen rubberen muren te hoeven vechten”.