Traag snelrecht met Pasen

Bij de Amsterdamse Justitie moet iemand in een bui van publiciteitsbewuste ijver gedacht hebben: een paasweekendje snelrecht, daar heeft het geboefte niet van terug. Eindelijk kan het leed, berokkend aan talrijke argeloze toeristen, stante pede vergolden worden. Wie zondigt, wordt binnen enkele dagen voor de politierechter geleid, voordat hij zal branden in de hel.

Op paaszaterdag begon deze justitiële D-Day. Het vervolg kwam op tweede paasdag. De oogst? Men had op dertig verdachten gerekend, maar er waren er slechts tweeëntwintig - en van hen moesten er ook nog enkelen worden vrijgesproken en bleek één persoon geestelijk dermate invalide dat hij meteen kon worden heengezonden. Zodat na Pasen 1993 één lastige vraag onbeantwoord blijft: wie heeft het laten afweten? De criminelen van Amsterdam of de politie?

Het is de middag van tweede paasdag. In de hal van de rechtbank aan de Parnassusweg heerst een nerveuze spanning. De media zijn massaal uitgerukt. Een tv-ploeg, radiomicrofoons, verslaggevers die het gebouw nog nooit van binnen hebben gezien en vertwijfeld het toilet zoeken. Het is alsof de beestachtigste moordenaar van het afgelopen decennium vandaag zal voorkomen.

Binnen vraagt een advocaat: “Blijft die camera hier?”

“Geen bezwaar”, zegt de politierechter, mevr. mr. E. van Schaardenburg, “mits de verdachten niet in beeld komen en hun namen ongenoemd blijven.”

“Meneer wil niet in beeld”, zegt de tolk van een verdachte. “En de anderen ook niet.”

“Het achterhoofd zal gebalkt worden”, belooft de filmer.

“Ook de andere delen?” vraagt de rechter.

“Kan ook”, zegt de filmer, alsof balken zijn lust en zijn leven is.

We kunnen beginnen. Het is half vier, een half uur later dan gepland. Snelrecht is nu eenmaal iets anders dan snèl recht - dat zal vandaag pijnlijk duidelijk blijken. Drie Noordafrikaanse mannen zijn de eersten die terecht moeten staan voor een poging tot diefstal in vereniging. Een van hun advocaten maakt bezwaar tegen de snelle behandeling van deze zaak; hij heeft onvoldoende met zijn cliënt kunnen praten. “Wij advocaten noemen dit meer illegalensnelrecht”, sneert hij. “Deze procedure is niet bedoeld voor Nederlanders.”

“Onder de verdachten bevinden zich ook Nederlanders”, beweert de officier van justitie, mr. J. Valente.

“Hoeveel”, tart de advocaat hem.

“Daar geef ik geen antwoord op”, zegt de officier. “Dan moet u maar tot het einde blijven.”

Het zullen er deze dag uiteindelijk drie van de twaalf blijken te zijn, onder wie bovengenoemd geestelijk wrak. De rest zijn (Noord)afrikanen, Joegoslaven, een Palestijn en een jonge, verdwaalde Fransman. De meesten lijken geen doorgewinterde criminelen; het zijn schlemielen, illegaal in Nederland verblijvend en daarom aangewezen op straatdiefstalletjes om het hoofd boven water te houden. Slechte dieven zijn het ook nog, tot overmaat van hun ramp.

Drie Noordafrikanen hebben in de hoerenbuurt tevergeefs de rugzak van een Amerikaanse toerist proberen te legen. Snelrecht met Pasen - dan hoop je als officier van justitie toch op de royale vangst van tasjesrovend en dolkstekend tuig, en niet op drie armetierige Noordafrikanen die zijn gestrand in een mislukte poging tot rugzakrollerij. Twee uur lang duurt deze zaak want er moet veel getolkt en getuigd worden. Het enthousiasme van de mediamannen verlept zienderogen. Als de rechter eenmaal uitspraak heeft gedaan (twee maanden onvoorwaardelijk), verdwijnen televisie en radio als bij toverslag - die krijgt Justitie voorlopig niet meer terug.

Resteert de droeve herinnering aan Mieke. Zij is zo'n ronde, in-brave Hollandse vrouw die haar affectie richt op een jongere, Marokkaanse jongen (een van de drie Noordafrikanen) die niet helemaal wil deugen. Mieke verzorgt hem en probeert hem van de drank af te houden. 's Middags had hij op het Centraal Station gezegd: “Ik ga naar een vriend en daarna pak ik nog even één borreltje”. Het werden er meer, voordat genoeg moed was verzameld om die Amerikaanse rugzak te attaqueren.

De politierechter vraagt of Mieke toekomstplannen met haar Marokkaan heeft. Jazeker, ze wil trouwen en ze wil kinderen, en als hij wordt weggeleid vraagt ze indringend aan de bewakers of ze nog even afscheid van hem mag nemen. Hij ondergaat het gelaten.

Abdoel heeft geluk. Hij was paaszaterdag op de Dam gaan zakkenrollen met een vriend. Ze hadden zich in een menigte gedrongen die zich rond een of andere act had verzameld. Abdoel opende de rits van de schoudertas van een toeschouwer, terwijl hij zijn handeling met zijn eigen jas afschermde. Hij ging met zijn hand naarbinnen, maar trok haar na enkele seconden weer terug - zonder buit. De grote vraag luidt nu: is Abdoel schuldig? De officier beschuldigt hem van poging tot diefstal.

“Waarom trok u uw hand terug?” vraagt de rechter.

“Mijn geweten riep me terug.”

“Eerder niet?”

“Een mens is een mens”, filosofeert Abdoel. “De ene keer is je geweten in slaap, de andere keer is hij goed wakker.”

Abdoel is al drie jaar illegaal in Nederland. Hij zwerft, zonder werk en zonder uitkering. “Ik weet niet of ik dat kan volhouden”, zegt hij. “Eten kan ik bij het Rode Kruis en onderdak is ook wel te krijgen, maar het leven verlangt nog meer dingen.”

“Wat zoekt u dan in Nederland?”

“Ik wil hier een toekomst opbouwen.”

Als de officier de eis uitspreekt - twee maanden - laat Abdoel zijn hoofd diep op zijn borst zakken. “Ik vraag alleen om vergiffenis”, zegt hij in zijn laatste woord.

“De vraag is: waarom trok u uw hand terug”, mijmert de rechter. “Tegen de politie zei u: omdat u bang was om opgemerkt te worden. “Nu zegt u: vanwege mijn geweten. Als u terugtrok omdat u de politie zag, is het eigenlijk te laat.” Ze aarzelt, raadpleegt enige jurisprudentie en zegt dan: “Deze zaak is me te dun. Ik spreek u vrij.”

“Stel hem in vrijheid”, beveelt de officier aan de bewakers; het klinkt bijna middeleeuws en koninklijk.

Voor Jean, een jonge Fransman met een intelligent gezicht, loopt het slechter af. Hij heeft een poging tot een autokraak ondernomen. Zoals bij zoveel verdachten vandaag: een mislukte poging, want hij sloeg maar een deukje in het raam. Jean is verslaafd aan heroïne en lijdt bovendien aan aids. Hij vraagt om clementie want hij wil zo snel mogelijk naar zijn moeder in Parijs, om dood te gaan. De officier eist drie maanden, de rechter trekt er een maand af. “Verdere clementie kan ik niet betrachten”, zegt ze.

Inmiddels is aan de overzijde van de gang iemand berecht die een Japanner heeft beroofd. Eindelijk een volwassen toeristenberoving! Het is half tien 's avonds. Twaalf verdachten in zes uur; negen veroordelingen. Men kan Nordholt horen brommen.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.