Politici roepen op om staking in Oostduitse metaal te voorkomen

BONN, 13 APRIL. Politici en economische instituten hebben werkgevers- en werknemersorganisaties in het paasweekeinde met klem opgeroepen deze week een laatste poging te wagen om dreigende massale stakingen onder circa 500.000 Oostduitse metaalwerknemers te voorkomen.

Stakingen zouden de definitieve nekslag zijn voor een groot deel van het toch al noodlijdende restant van de vroegere DDR-metaalindustrie en buitenlandse investeerders nóg kopschuwer maken, vrezen zij. Hun oproepen volgen na twee weken waarschuwingsacties in heel Oost-Duitsland. Voor volgende week hebben de bonden zogenoemde “Urabstimmungen” onder hun leden over stakingen gepland.

Minister Norbert Blüm (CDU, sociale zaken) waarschuwt dat stakingen voor vele bedrijven “euthanasie” zouden betekenen. De directeur van het IFO-instituut voor economisch onderzoek te München, Willi Leibfritz, noemde stakingen tegen de achtergrond van oplopende werkloosheid in West- en de structurele problemen in Oost-Duitsland “een spookachtig idee”. Karl Schiller, de vroegere SPD-“superminister”, voorziet een economische ravage als de stakingen doorgaan.

De metaalwerkgevers zijn begonnen met de vorming van een steunfonds voor leden die door stakingen zouden worden getroffen. Tegenacties, zoals het ontslaan van stakers (“Aussperrung”), een mogelijkheid die het Duitse arbeidsrecht biedt, zeggen zij niet voor te bereiden. De werkgevers hadden weken geleden wegens de vooral in hun sector verslechterde conjunctuur (auto- en machine-industrie), en de Europese afspraken om tot produktiebeperking in de staal te komen, meerjarige CAO-afspraken eenzijdig opgezegd.

In die in 1991 gemaakte afspraken was een geleidelijke gelijktrekking van lonen in Oost- en West-Duitsland voorzien. Per 1 april 1993 was een stap van 26 procent afgesproken. In 1994 zou een laatste stap van 30 procent worden gezet. Volgens de bonden begaan de werkgevers “een rechtsbreuk” die het instituut van de vrije en bindende CAO-onderhandelingen bedreigt. Zij achten de afgesproken verhogingen absoluut noodzakelijk omdat de Oostduitse kosten van levensonderhoud wèl praktisch tot het Westduitse niveau zijn gestegen.

De metaalwerkgevers beroepen zich op een CAO-clausule die opzegging mogelijk maakt bij sterk gewijzigde omstandigheden. Zij hebben “om sociale redenen” per 1 april 9 procent aangeboden en wijzen erop dat de produktiviteit in de (vaak zeer verouderde) Oostduitse metaalbedrijven minder dan de helft van de Westduitse is, terwijl de bruto loonsom er nu al hoger ligt. De voorzitter van de metaalwerkgevers, Hans-Joachim Gottschol, sprak zondag de hoop uit “dat het toch nog zal lukken om zonder stakingen een CAO-akkoord te bereiken”. Hij reageerde daarmee op een opmerking van Franz Steinkühler, chef van de grootste Europese vakbond, de IG Metall (3,4 miljoen leden), dat de vakbeweging bereid is tot een compromis, “ook een dat pijn doet”.

Intussen zitten beide partijen in de problemen. Het werkgeversfront brokkelt, nu circa 5 procent van de leden, daaronder bijvoorbeeld Volkswagen in zijn Oostduitse vestigingen, wèl bereid is om 26 procent extra te betalen, zij het dan als “aanvulling” op de CAO, niet als vast deel ervan. De IG Metall staat in zoverre met de rug tegen de muur dat haar in 1990 en 1991 sterk gegroeide ledental door de-ïndustrialisatie en teleurstelling in de vroegere DDR hard terugloopt (in '92 met 190.000 tot 750.000).