Overmoedige Ballerini gaat twee keer door een hel; Duclos-Lassalle profiteert van zijn baanervaring; Le vieux kwam, zag, overwon en wil niet van ophouden weten

ROUBAIX, 13 APRIL. Al jaren lang rijdt Gilbert Duclos-Lassalle in de donkere maanden enkele zesdaagsen. Om zijn conditie op peil te houden, maar meer nog om het hoge startgeld en de vette prijzen. Afgelopen winter vertoonde hij zijn kunsten in Bordeaux en in Grenoble, waar hij in 1989 (met Danny Clark) en 1992 (met Pier-Angelo Bincoletto) het winnende koppel vormde. De geroutineerde Franse wegrenner heeft zich zo ontwikkeld tot een groot expert op de wielerbaan, een specialisme dat hem zondag uitstekend van pas kwam. Sterker nog, het leverde hem zijn tweede achtereenvolgende zege op in de klassieker Parijs-Roubaix.

Aan het slot van de helletocht moest de 38-jarige Duclos-Lassalle het opnemen tegen zijn enige mede-vluchter Franco Ballerini. De Italiaan is veruit de betere sprinter van het tweetal. Maar nu de finish op de door de Fransman geliefde velodrome van Roubaix lag begreep Duclos-Lassalle dat hij zeker niet kansloos was. De Bask trok de trukendoos open: hij bleef een ronde achter zijn supernerveuze opponent hangen en liet zich een halve baan voor de meet de kop opdringen. Meteen verhoogde hij het tempo. Ballerini dacht daarna binnendoor te kunnen, zijn slimme tegenstrever dwong hem echter de langere weg buitenom te nemen. “En aan het einde wierp ik mijn fiets als het ware over de streep, zoals de echte pistiers dat doen”, grijnsde Duclos-Lassalle na afloop. Voor die jump capituleerde Ballerini, die zichzelf overigens winnaar waande. Want hij stak prompt beide armen omhoog en reed juichend een soort ereronde.

Dertig seconden later hoorde hij de harde werkelijkheid. Op de finishfoto was duidelijk te zien dat Duclos-Lassalle de hoofdprijs verdiende. Ballerini ging voor de tweede keer die dag door een hel. Perque io! huilde hij, waarom moest juist hem dit overkomen? Bij de douches kreeg hij schouderklopjes van Italiaanse journalisten. “Franco”, klonk het, “je bent ijzersterk dit jaar, je gaat vast nog andere wedstrijden winnen.” De renner van GB-MG bleef echter een hoopje ellende. Nooit, zwoer hij, nooit meer zou hij terugkeren naar Roubaix. En nooit meer zou hij op een baan rijden. “Ik begrijp nu”, stamelde hij, “dat Moreno Argentin in een stevige depressie raakte toen hij vorig jaar zo ongelukkig tweede werd in Milaan-Sanremo.”

Deze competitie schiet Ballerini dikwijls op de paal. Telkens gaat het net mis met de Italiaan. Zo was hij in de Ronde van Vlaanderen en Gent-Wevelgem beresterk, maar moest hij zich inhouden omdat ploeggenoten _ respectievelijk Johan Museeuw en Mario Cipollini _ de grote troeven waren. De naam Raymond Poulidor, de eeuwige tweede, viel daarom zondag in het kot dat als kleedkamer dienst deed. Ballerini: “Wat Poulidor? Hij een groot kampioen? Ik word gek van Poulidor. Wat ik wil is winnen. Basta.” Had hij fouten gemaakt in Parijs-Roubaix? “Mijn grootste fout is dat ik ooit wielrenner ben geworden. Ze zullen me opnieuw moeten leren fietsen.”

Bij de teamleiding van GB-MG had men de 28-jarige Ballerini heel wat verkeerde dingen zien doen. Ploegbaas Patrick Lefevere merkte droog op dat “Franco natuurlijk nooit als eerste de wielerbaan had moeten oprijden. En een halve baan voor het einde iemand laten passeren, dat slaat nergens op.” Lefevere had zijn Italiaanse leerling op vijf en drie kilometer voor de eindstreep nog zo gewaarschuwd. “Pas op Franco”, had hij vanuit de volgauto geroepen, “die Duclos-Lassalle is uitgekookt op de piste. Je kunt beter alleen weg gaan, demarreren.” De zelfverzekerde, nee overmoedige Ballerini had niet geluisterd. Hij had, zei hij later, aan zijn Franse mede-vluchter gemerkt dat die compleet uitgeput was. Tevoren al. “Honderd keer in de laatste twintig kilometer zag ik Gilbert dood aan mijn wiel hangen. Als ik hem vroeg over te nemen antwoordde hij telkens: "ik kan het niet'. Ik heb me in de maling laten nemen. Ja, ik heb gereden als een debutant.”

Ballerini, bepaald geen taktisch wonder, blunderde in Parijs-Roubaix, van de andere kant zorgde hij ook voor opmerkelijk vuurwerk. De manier waarop hij de beslissende ontsnapping op touw zette zal het wierlervolk nog lang heugen. Op 30 kilometer van het einde vloog hij met Duclos-Lassalle weg uit een groepje met onder meer Museeuw, Edwig van Hooydonck en Olav Ludwig. Het tweetal passeerde op de zoveelste kasseienstrook het onthutste leidende koppel Adri van der Poel-Herman Frison in een moordend tempo en het bleef vervolgens buiten schot. Dank zij het kopwerk van Ballerini, dat gaf ook Duclos-Lassalle later toe.

De Franse veteraan, die vorig jaar alleen in Roubaix finishte, had grote bewondering voor de inspanningen van Ballerini. Hij beaamde blij te zijn dat hij aan het wiel van de exploderende Italiaan kon blijven. Duclos-Lassalle zei eerder, aan het begin van de kasseienstroken “grote inspanningen” te hebben moeten doen. Hij kreeg daar een lekke band en kwam ten val. Collega's van Gan, onder wie Greg LeMond, brachten hem in de voorste gelederen terug. Het bleek de moeite waard. Le vieux kwam, zag en overwon. En hij wil nog niet van ophouden weten.

“Joop Zoetemelk werd wereldkampioen toen hij 39 jaar was. Ik ben dus nog geen oude man en ga zeker door”, aldus Duclos-Lassalle die in 1980 zijn eerste grote profzege (Parijs-Nice) boekte. Hij was toen teamgenoot van Hennie Kuiper bij Peugeot. Kuiper, nu ploegleider van Motorola, op eerste paasdag: “Die Duclos is een geweldenaar. Doet alles voor zijn vak. Vorige week zag ik hem in de Ronde van Baskenland nog bezig. Twee van zijn collega's reden lek. Hij wachtte en bracht ze in supertempo terug in het peloton. Fantastisch. En hij is nog niet versleten. Ik hoorde van hem dat hij nog aan de Olympische Spelen van Atlanta in 1996 wil gaan meedoen.”