LERAREN

Over het nieuwe rapport van de commissie Toekomst Leraarschap zal zeker nog menige noot worden gekraakt, maar in de weergave ervan en het aanvullende gesprek met de voorzitster Andrée van Es (NRC Handelsblad, 30 maart), frappeerde mij dat de modale Nederlandse leraar wordt afgeschilderd als een soort intellectuele dwangarbeider, die niets liever zou doen dan - na vele uren en jaren lesgeven - iets heel anders op zijn school te verrichten.

Misschien is dit een tijdsbeeld, maar in onheugelijke tijden waren er ongetwijfeld nog veel leraren die niets liever deden dan lesgeven; wat voor Van Es blijkbaar een schrikbeeld is (“Na een aantal jaren geef je nog altijd les....”). Maar toegegeven, dat was in een tijd dat de scholen nog kleiner waren, evenals de meeste klassen en de omvang van een volledige betrekking - en vooral het ministerie van onderwijs.

Wat de door Van Es in Heidegger-termen beschreven “rare kloof, dat allesopvretende vacuüm tussen de centrale regelgeving van de overheid en de solitaire professional in de klas” aangaat: ik heb in een lange leraarsbaan nog nooit een leraar ontmoet die enige huiver voor dit "vacuüm' ondervond, zij het wel voor genoemde "regelgeving'.

De aangekondigde differentiatie in beloning en waardering op grond van wie weet wat, betekent gegarandeerd een bron van irritatie en frustratie, in het bijzonder voor een ieder die zich ondergewaardeerd en -beloond zal voelen. Naast de bekende meritocratie krijgen we dan een meritometrie; het desbetreffende ministerie zal wel, ter vermijding van de totale willekeur, zijn meritometrische criteria opstellen.