Jaren negentig het decennium van de ethiek; Juristen waanden zich hoeders van de maatschappelijke moraal; De mooiste praktijkuitvinding was ongetwijfeld de sociale rechtshulp

Met klagen over de publieke moraal leidt de huidige minister van justitie de aandacht af van zijn falen om het rechtssysteem te doen functioneren zoals van dit openbaar nutsbedrijf mag worden verwacht. Allerwegen is een ethisch debat gaande, maar dat voltrekt zich buiten de rechtssfeer. Van het recht als morele categorie is afscheid genomen.

Makelaars congresseren over de ethiek van het zakendoen. Modeontwerpers buigen zich over de ethiek van hun materiaalkeuzes. De Gezondheidsraad adverteert om een ethicus, niet om een specialist in het gezondheidsrecht. De design-ethiek is een heftig item onder vormgevers. De ethische reflectie is in opmars. Het is iets anders dan in de jaren tachtig met de roep om een ethisch reveil werd bedoeld. Er wordt gezocht naar een functionele en situationele ethiek en niet naar algemene waarden en normen of naar een publieke moraal die het overheidsgezag zou kunnen ondersteunen zoals politici graag zouden zien. In plaats van gedragsregels worden normatieve oriëntaties verlangd binnen de situaties van betrokkenen en functioneel voor concrete behoeften aan normatieve consensus.

Opvallend is dat men zich daarbij vrijwel heeft losgemaakt van het recht. De gedachte dat het recht als zodanig een ethisch minimum representeert, is behalve misschien onder juristen verneveld. Het discours over behoren, verantwoordelijkheid en rechtvaardigheid voltrekt zich buiten de rechtssfeer, juristen spelen er als zodanig niet in mee. Weliswaar heeft het juridisch denken een tijdlang veel inspiratie en sturing geboden aan de sociale moraal maar dat lijkt voorbij. De in de jaren zestig gepropageerde creatieve en kritische jurist is niet meer van deze tijd. Hoe is dat verlopen?

“Het recht bezit weinig zelfstandige overtuigingskracht en de rechtswetenschap kan weinig bijdragen aan de oplossing van maatschappelijke problemen.” In de theoretische sociologie van de jaren zestig werd dikwijls uit deze stellingname geschreven. Het recht werd opgevat als een achterlopende officialisering van maatschappelijke normen. Dat ontkende de instrumentele mogelijkheden van het recht en mede onder invloed van de empirische rechtssociologie verloor dit type beweringen snel terrein. Het werd onder juristen een onbetwiste opinie dat het recht wel degelijk modificeert en sociale veranderingen kan bewerkstelligen. Tegelijk werd het recht geduid als het laatste sociale normenstelsel dat was overgebleven na de teloorgang van zuil, religie en ideologie. Juristen waanden zich hoeders van de maatschappelijke moraal. Zij meenden het normatieve gat dat in de samenleving zou zijn ontstaan te kunnen vullen. En men voer er wel bij. De aantallen juristen groeiden onstuimig, de banen evenzo.

De mooiste praktijkuitvinding was ongetwijfeld de sociale rechtshulp. Niet alleen hielp die juristen af van het imago de klerken van de macht te zijn. Het bracht tevens royaler brood op de plank. Elke zaak die een advocatencollectief aannam, verschafte de commerciële advocatuur een betalend dossier en de rechtspraak meer werk. Juridisering was een trend van de jaren tachtig. Deregulering en privatisering waren niet anders dan verschuivingen binnen het recht, privaatrecht kwam in de plaats van publiekrecht. In het midden van het decennium werden de grenzen van het recht echter steeds pijnlijker zichtbaar. Het werd zelf tot probleem, de inhoud van de regels, de veelheid van de regels, de kwaliteit en de uitvoerbaarheid. Hetzelfde gold voor de rechtspraak, de traagheid, de achterstanden en haar regulatieve beslissingen. De pretenties konden niet worden waargemaakt.

Het strafrecht en het bestuursrecht bleken tekort te schieten in de beheersingsmogelijkheden die politici verlangden en juristen hadden beloofd. Het gezag van het recht voorzover aanwezig verdampte. Wat overbleef waren macht en machtsapparaten. Steeds meer energie en geld moesten gemobiliseerd worden om regels af te dwingen. Steeds meer gebouwen, controles en apparaten. Een deel van de overheid werd omgevormd tot jachtvereniging, men ging jagen op fraudeurs, zwartkijkers, zwartwerkers, op belastingontduiking, op leaseauto's. Telkens werd weer een nieuw deel van de burgerij aangemerkt als schadelijk wild, dat afgeschoten moest worden. Pak ze, pluk ze, de terminologie werd jagerslatijn. Vooral het publiekrecht verstrengelde zich tot een onsamenhangend geheel van plannen en indicaties waarmede kosten en baten in verband met de overheid moesten worden becijferd. Het recht werd rekenmachine, juristen werden rekenmeesters.

Zo kan men de ontwikkeling zien. Maar die visie behoeft in haar eenzijdigheid ten minste één aanvulling. Tussen de politieke overheden en beleidsvormende instanties enerzijds en de samenleving anderzijds nestelden zich de uitvoerende apparaten. Die hadden te maken met de nogal eens onmogelijke eisen die de wetgever aan hen stelde en tegelijk stonden ze onder druk van het maatschappelijk veld waar zich hun clientèles bevonden. Als resultaten van die tegenstrijdige krachten gingen ze de regels op eigen manieren uitleggen. Ze hadden oog voor de soms onaanvaardbare gevolgen van een strikte regelhandhaving en zij plaatsten hun uitvoeringswerk in het kader van het haalbare en het fatsoenlijke. Daar hebben ook juristen hun bijdrage aan geleverd.

De theorie van het gedogend besturen, de uitbouw van de beginselen van behoorlijk bestuur en de bezinning op de opportuniteit in het strafrecht hebben het autonome handelen van de uitvoerende instanties ondersteund. Wat de politiek ook formuleerde, regelhandhaving en regeluitvoering kwamen onder voogdij van het haalbare en het behoorlijke. Opportuniteit en behoorlijkheid zijn echter zelden elkaars bondgenoten en als zij met elkaar botsen is de uitslag ongewis. En dat betekende dat de rechtshandhaving in te grote mate onvoorspelbaar werd en dus niet meer vertrouwd kon worden. Er ontstonden onredelijkheden en onzekerheden die de justitiabelen verbijsterden en die hun overtuigingen steeds sterker schokten. Dat wil zeggen: in algemene zin, want in de praktijk van alledag lagen de problemen vaak minder scherp.

Het saldo is dat het recht wel berekeningsgrondslag vormt voor het gedrag maar niet langer een ethisch perspectief heeft te bieden. Het kan evenmin nog morele aanspraak maken op "gehoorzaamheid'. Er is geen crisis in het recht, het vormt alleen geen morele categorie meer en is teruggekeerd naar de oude plaats van amoreel en gebrekkig ordenings- en sturingsmechaniek. De juristen zijn de regel- en schakeltechnici van een openbaar nutsbedrijf geworden, monteurs en ingenieurs van wie verwacht wordt dat zij de nutsvoorziening op de hoogte van de tijd en vooral storingvrij houden.

In de behoefte van de samenleving aan normatieve oriëntaties, en dat is iets anders dan een behoefte aan gebods- en verbodsregels, blijkt buiten het recht om voorzien te gaan worden. De opbloeiende ethische discussies zijn daarvan een teken. Naar het zich nu laat aanzien zullen de jaren negentig het decennium van de ethiek worden. De al dan niet postmoderne intellectueel heeft in het recht weinig meer dan techniek te zoeken. Op het vlak van de ethiek kan hij creatiever muziek maken, bijdragen aan het ontstaan van ethiek-culturen. Maar politici en juristen kunnen niet gerustgesteld ademhalen. Er zal geen uniforme ethiek ontstaan, er zal geen nieuw moreel maatschappelijk fundament worden gelegd, er komt geen nieuwe publieke moraal. Pluraliteit, diversiteit en groepsautonomie, dat zal het zijn, geen hulpverlening aan politiek of recht. Die zullen het op eigen kracht moeten redden niet alleen maar op een gegeven moment ook zelf met onverwachte ethische eisen worden tegemoetgetreden.