Eierdopjes en steelpannetjes

Gedachteloos drentelend door een van V&D's warenhuizen hoorde ik een jongen - zwartleren jas met spijkers, een jaar of twintig - aan de aantrekkelijke jongedame van kassa 4 vragen of er ook rode eierdopjes waren.

Ze was net bezig met het verwisselen van de rol in haar kassa en met een korte knik in een vage richting zei ze: “Daar staan ze.” “Dat weet ik”, zei de jongen, “maar ik zoek róde eierdopjes.” Zonder ook maar op te kijken van haar bezigheden, zei het meisje: “Wanneer er geen rode eierdopjes tussen de eierdopjes staan, dan hebben wij geen rode eierdopjes.” Toevallig was ik er zojuist langs gelopen; ik had zelfs nog gedacht: dat ze die nu ook al in het rood hebben. Ik mengde mij dus in het gesprek met de mededeling: “Jazeker, die hebben jullie wel” en wees daarbij op een schap met keukenbenodigdheden waartussen zeker drie verschillende soorten eierdopjes stonden, allemaal rood.

De jongen bedankte mij met een vriendelijke lach. Bij het schap koos hij er zes uit die op elkaar gestapeld in een rond plastic busje zaten en liep ermee naar kassa 4. Zonder een glimp van verontschuldiging zei de mooie juffrouw: “Dat is dan 10,95 alstublieft” en liet de eierdopjes in een ritselend zakje glijden. “Het bonnetje zit erbij”, voegde ze daar nog aan toe. Alsof hij ze zal komen ruilen, dacht ik, voor een andere kleur.

Toen kwam er een oude vrouw aangeschuifeld. Klein, zwarte jas met bontkraag, tasje stevig onder de linkerarm geklemd en een hoed zwaar over de oren getrokken. Ze had haar wijsvinger opgestoken ten teken dat ze iets wilde vragen. Omdat de jongen blijkbaar geen haast had liet hij haar voorgaan. “Heeft u ook kleine braadpannetjes”, vroeg ze. “Nee”, zei de mooie juffrouw, toen ze zag dat de jongen geen aanstalte maakte om te betalen. “We hebben alleen die grote en die hangen daar.” Vooroverbuigend wees ze onder een opgehangen reclamebord door, naar een wand waaraan allerlei keukengerei hing en wendde zich weer tot de jongen: “Dat is dan 10,95, alstublieft!” De jongen keek echter samen met het oude vrouwtje naar de aangewezen wand. “Tja”, zei het vrouwtje, “die heb ik ook wel gezien, maar ik zoek een klein braadpannetje.” “En hebt u die daar dan zien hangen”, vroeg de caissière, “Als ze daar niet tussen hangen dan hebben wij ze niet. 10,95!”

“Weet u wat ik nou niet begrijp”, hernam het oude vrouwtje, “er zijn tegenwoordig zoveel eenpersoonshuishoudens van jong - en wees daarbij met haar vinger naar beneden - tot oud (vinger naar boven) en dat jullie nou geen eenpersoonsbraadpannetjes hebben.” “We hebben geëmailleerde eenpersoonspannetjes in die kast staan”, zei de mooie juffrouw en wees op een vitrine in de hoek. Daarop wendde ze zich weer tot de jongen en riep schel: “10,95 als-tu-blieft.” Hij had inmiddels zijn beurs tevoorschijn gehaald.

“Maar in een geëmailleerd pannetje kun je toch niet braden?” De oude dame keek de jongen vragend aan. “Inderdaad”, bevestigde deze. “Daar kun je alleen iets in opwarmen. Soep bijvoorbeeld, of boontjes. Om aan te braden heb je een platte open pan nodig, met een niet te hoge rand.” Aan het gezicht van de ineens niet meer zo aantrekkelijke kassa-juffrouw was te zien dat haar geduld bijna op was. “Mijnheer, 10,95”, siste ze bevelend. Jongen en meisje keken elkaar nu nijdig aan, terwijl de oude vrouw keek of ze ergens een braadpannetje zag hangen.

Toen ontspande het gezicht van de jongen en op een zeer beleefde, nauwelijks hoorbare toon vroeg hij, wijzend op zijn eierdopjes: “Het is een cadeautje, kunt u het netjes voor me inpakken?”

Terwijl de lelijke juffrouw van kassa 4, met een gezicht vol paarse vlekken, de eierdopjes in glimmend cadeaupapier verpakte, legde de jongen een vuurtoren op de kassa en keek het oude vrouwtje aan. Zij glimlachte. Ik maakte mij vlug uit de voeten. Toen ik boven aan de roltrap stond, hoorde ik in de verte een doffe plof.